HomeVedenstudiënPagina 60

JPEG (Deze pagina), 501.20 KB

TIFF (Deze pagina), 6.43 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

50 vrsennsrunriàrv.
evenwel gerust door het ons meer bekende Aurora vertalen
kan. De haar gewijde liederen belreoren ongetwijfeld tot de
meest diehterlijke van den Veda. Als voorbeeld van de vele
zangen aan Oeslias die11e vooreerst een gedeelte van den 92S®C¤
li_ymne van het eerste boek , - 1-4. 6. 11, ­- waarbij wij tt
gemeend hebben, om de gelijkheid der aangebragte beelden, een A
regel van den 125S*C¤, vs. 10, -- zonder bezwaar te me-
gen inlassehen. Ook hier heeten de verlichte welkenwederom j
de liemelkocijen, en verschijnt Aurora als de minnares van t
den zonnedeva, terwijl ook over `t geheel dit lied geacht kan *
worden zich vrij wel aan het zoeeven inedegedeelde, Seêrya r
gewijde, aan te sluiten. Y
ln ’t oosten ginds verrijzen i
De stralen va11 den dageraad. W
Zij spreiden hun luister ten toon, ir
Als krijgers die hun zwaarden rijgen.
De roede kudden naadren ons.
Zij schieten omhoog in hun vaart, j
De roozeroede stralen.
Zij leggen het juk op de rosse,
Het juk ligt dragende,
Door hellen glans omringde koeijen; `
En roepen als van ends
Ons tot het leven weer.
Als vrouwen, tot haar werk zich speedend,
Komen zij, liehtend van verre,
Volgend een zelfden weg,
lin brengen voedsel den vrome, den milde, "’
lün alles goeds den S0lI’lïl·I)l()·1l{2QCl`.
Nu kleedt zich als een danseres
.nrora in sehittrend gewaad.
Een maagd gelijk, in schoonheid pralend,
Naderl, Devil ge om te ontmoeten
llen Deva, die minnend n zoekt.
'erdwenen is het naehtlijk duister:
Aurora verrees, en selienk weer `f leven ons