HomeVedenstudiënPagina 58

JPEG (Deze pagina), 706.50 KB

TIFF (Deze pagina), 6.68 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

48 VEDENSTUDIEN. i
zon, door zijne grootheid en glans zoo treH`end en indrukwek- i
kend en van zoo belangrijken invloed op heel den dagclijkschen
loop en de orde der natuur, in eene godsdienst als de Vedi-
sche eene niet onbelangrijke plaats moest innemen. Zij nu
ook de schildering nog al overdreven, volgens welke de
Vedische Ariërs bij zonsondergang zich niet met zekerheid
wisten voor te stellen, of het ginds verdwijnendhemelligehaam
den volgenden morgen op nieuw uit zijn schijnbaren doodslaap
zou worden opgewekt, dan of de duisternis van den nacht voor
goed en voor altijd het aardrijk mogt dreigen te overheer-
sehcn, ­- eene schildering, die, naar ’t ons voorkomt, met mc-
nigen Vedenbymne in strijd is, en ook weinig past bij den
graad van beschaving overigens door de Vedische wijzen reeds
bereikt, - toch valt niet te loochenen, dat ook de solaire ver-
schijnselen veel sterkere en doorgaans meer dichterlijke gewaar-
wordingen bij een in natuurkennis nog minder gevorderd en
tevens voor natuurindrukken zoo bijzonder ontvankelijk volk
als het oud-Arische moet hebben te weeg gebragt dan bij ons j
en in onzen staat van beschaving en kennis denkbaar kan zijn.
Van den anderen kant zijn de beschrijvingen, welke wij vooral
van het opgaan der zon in den Veda aantreilen in den regel ip
meer nog van enkel dichterlijken, dan van eigenlijk theo-
sophischen of wijsgeerigen aard, zooals sommige der hymnen j
aan Varoena en aan Agni; en in zoover onderscheiden ze zich pi
weinig van die onzer nieuwere dichters; eene omstandigheid V
voor 't overige, die ze voorzeker, hare oudheid in aanmerking
genomen, niet minder belangwekkend maakt. Zoo b. v. de
hymne aan Soêrya, -- R. V. l, 115, --- waarin deze als het
regelend beginsel van dag en nacht, mitsdien ook van de be-
zigheden der menschen wordt voorgesteld, en tevens de min--
naar van Aurora wordt geheeten, een menigmaal wederkeerend ln
beeld, natuurlijk aan het teit ontleend. dat de verschijning van
de zon in vollen glans onmiddelijk op die van den dageraad
volgt, die alzoo, gelijk wij mede elders reeds aantoonden, als
de beininde van den zonnedeva optreedt. en door dezen als ’t
ware achtervolgd schijnt te worden.
Daar verrijst het seliittrende stralenlieirl
Daar glansl het oog
Van Agni, hlilra, Varoenal
l*ln aarde, lnehl en hemel