HomeVedenstudiënPagina 47

JPEG (Deze pagina), 724.75 KB

TIFF (Deze pagina), 6.53 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

DE STOHMEN. 39
Merkwaardig mogt ook in inenig opzigt nog de liynine
worden geacht, waarin €(31l soort Vïtll gesprek tussshen lndra
en de lfaroet’s gehouden, of`, juister gezegd, een tusschen hen
gerezen twist als "t ware dramatisch voorgesteld wordt, l.
165. Doch het stuk is te lang om het thans, na al het reeds
aangehaalde, hier nog in te lassehen. indra verschijnt er voor
’t overige juist niet in het gunstigste licht, al moge ook de
zanger zelf 11iet bedoeld hebben hem op ongunstige wijze voor
te stellen. llij tracht namelijk zijne bondgeneoten. de Ma-
roet’s, van hun regtmatig deel aan liet offer uit te sluiten, wil
alles voor zich zelf allee11 houden, en beweert. dat zij hein
1 nooit eenigen bijstand verleend hebben. maar P eenvoudig bij
~ zijne heldenfeiten hebben toegezien. De overdreven lof eeliter.
hem daarop door de Maroet’s toegezwaaid, brengt hein weder
jg in betere stemming, en doet hein besluiten zijne oude vrienden
weer in genade aan te nemen. Een trek als deze ontbrak nog
~ om de straks gestelde paralel gansch te volteoijen: de zelizuchf
en de bekrompen cigenwaan van den fcodalen despoot konden
niet beter geschetst zijn dan hier in dezen Vedenliymne
* sehiedt.
_ De l‘ifaroet’s Zijll trouwens de eenigen niet niet wie lndr:=i ‘
nu en dan in twist geraakt. Ook tussehen hein en den reeds
jl meer genoemden Tvashtar, den lndisehen Vulkaan, zien wij
‘ reeds in den Veda eene heftige vijandsehap ontbranden, voorna- j
melijk ontstaande uit naijver van de zijde van Indra op zijn I
gezag. Die strijd wordt in vervolg van dagen het voorwerp j
van een ganschen cyclus van legenden, waarin dan het lärah-»
maanseh element tegenover den heinelvorst eene belangrijke
rol speelt. Met bijzonderheden als deze voor oogen inogt nien
geneigd zijn de vraag te stellen, hoe dan toch een volk als
li het `Vedische, dat in vele opzigten toch reeds een beseliaafd en
lj zelfs diepdenkcnd volk bleek te zijn, de hoogste godheid zelve
ooit onder eene persoonsverbeeldiiig heeft kunnen vereeren.
Y wier karaktertrekken zooveel vat soms geven aan eene waarlijk
niet gunstige beoordeeling. Doch behoeft nu juist op rekening
van allen, ook van meer doordenkenden, te worden gestehl war
welligt en zelfs meer dan waarschijnlijk slechts het voortbreng-
sel der verbeelding van sonnnige minder hoog ontwikkelden
of was? lün zijn wij niet van oudsher reeds gewoon, dergelijke
t- verseliijnselen ook elders waar te !l(‘IllClIl‘l lnderdaad, lle wra.:l,
zuehtige, knorrige, ·‘on1 elke kleiniglieid aanstoncls doiiderende"