HomeVedenstudiënPagina 33

JPEG (Deze pagina), 752.48 KB

TIFF (Deze pagina), 6.66 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

nn 1<oN1NG. 27
of Qlanibara, of hoe zi_j overigens heeten mogen, die eerst zoo-
veel belovendc onweerswolken nog gevangen houden, en den
heilrijken regen aan het menschdom blijven misgunnen. Nu
echter verheft zich Indra, komt tot het altaar, waar de men-
schen den soma voor hem gereed hebben gemaakt, grijpt, na
frisschen dronk, den bliksem, dien Tvashtar, de hemelsche wa-
pensmid, hem gesmeed heeft, en wendt zich, ’t zij alléén, ’t zij
met Vayoe, zijn wagenmenner, en aan ’t hoofd zijner dappere
bondgenooten, de Maroet-’s of de Stormwinden, tegen de boos-
aardige vijanden. “Tel verschansen zich dezen, als in sterke
vestingen, achter hunne wolken, doch met ratelenden slag treft
Indra’s bliksemstraal hun het hoofd, terwijl hemel en aarde be-
ven en Tvashtar zelf zich ontzet bij den toorn van den krijgs-
haftigen hemelvorst. En nogmaals stapelen de Asoeren de wol-
kengevaarten opeen, en trachten zelfs den hemel te beklimmen
r en den troon van lndra omver te werpen: maar wederom dalen
de vurige schichten omlaag, en vellen hen magteloos neder aan
de voeten van den overwinnaar. Nu scheurt ook ten laatste
de lang gesloten wolkensehoot: in digtc stralen daalt de frissche
regen neder; beeken en rivieren vullen zich: de stroomen gol-
ven blijde naar zee; en de menschen, die zoo lang en in bange
verwachting den geduchten strijd daarboven hebben gadegeslagen,
vieren met lofzangen de zegepraal van den magtigen, hun be-
vrienden held. - Dus luidt, in breede trekken herdacht, het j
aloud oorspronkelijk lucht- of wolken-epos van het Ariseh ge-
slacht. De Veda voor ’t overige is vol als ’t ware van dien
strijd van Indra met de wolken-daemonen, zijne overwinningen
op Vritra of Ahi behaald, en de weldaden door hem dientenge-
volge aan de menschen verzekerd. Merkwaardig onder de vele -
hymnen, die Indra’s zege en Vritra’s nederlaag meer of min j
r uitvoerig vermelden, schijnt ons de 32SïC van het eerste boek.
waarvan wij ’t belangrijkste, ­ vs. 1-3, ti-10, - hier laten
volgen, en die het zoo aanstonds vermelde in eenigzins gewij-
zigden vorm wedergeeft. Merkwaardig bovendien om den toon,
die er in heerscht, en als ’t ware een weerklank mag heeten
van den geest, die den krijgshaftigen en ridderlijken lndiör van
ends ook jegens den gevallen vijand schijnt bezield te hebben.
De moeder van Vritra, waarvan hier aan ’t slot gesproken wordt,
komt overigens zelden in andere liederen voor.