HomeVedenstudiënPagina 32

JPEG (Deze pagina), 773.30 KB

TIFF (Deze pagina), 6.66 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

26 VEDENSTUDIEN.
büzondcrheden der dienst? Een bewijs ware zeker bezwaarlijk
voor dergelijke gissing te vinden; maar uit den zang der Brah-
manen, die met kikkers in een poel vergeleken worden, blijkt
voldoende dat het satiriseh element geenszins geheel in den Rig-
Veda zelfs orrtbroken heeft.
Zeer intusschen zouden wij ons bedriegen, indien wij meen-
den, dat al de hier omschreven, aan Indra toegekende eigen-
schappen ’t zij louter willekeurige waren, ’t zij enkel aan een-
maal gegeven maatschappelijke toestanden ontleend. De meeste
en voornaamste toch vinden wederom geheel haren oorsprong in
diezelfde opmerking en vereering tevens van treffende natuur-
verschijnselen, welke wij als den grond leerden kennen der Deva-
vereering in ’t algemeen. lis Indra ongetwijfeld ook de type
van den moedigen en zegevierenden krijgsheld en van den ge-
nadigen en weldadigen Vorst, hij is dat niet enkel uit een zui-
ver rnensclrkundig, maar voornamelijk ook en oorspronkelijk V
zelfs uit een physisch oogpunt. Hij is het als ’t ware van na-
ture. Hij toch vertegenwoordigt den natuurlijken hemel niet
alleen, maar dien hemel vooral ook in zijne werkingen die het
meest den mensch ten goede strekken, en, schoon soms gewel-
dig, toch in uitkomst den aardbewoners meest heilzaam en wel-
dadig zijn. En in dit opzigt staat hij vijandig tegenover air-
dere, den mensch schadelijke, mede in den hemel zich bewegende
krachten, en heeft hij deze dus eerst te overwinnen eer hem gele-
genlreid wordt gegeven zijne weldaden onder de menschen te
verspreiden. Met andere woorden, Indra is bovenal ook de Re-
genbrenger, die de booze, de regenwolken gevangen houdende
dacmonen bekampt en verslaat, op den na. lange droogte ver-
dorden grond ten laatste het weer vcrfrisschend en vruchtbaar-
nrakcnd hemelvocht laat nederdalen, het water weer doet ont-
springen aan de verdroogde bronnen, de bedding der rivieren *
vult, en op die wijze nieuw leven en wasdom verleent aan de
kwijncndc natuur. Lang heeft gedurende het heete jaargetijde
de vertcrende zonnegloed op de velden en akkers gesclrenen,
het gras verschroeid, het water in de bronnen opgedroogd; ein-
delijk echter vertoonen zich, eerst ligte, daarna meer donkere
wolken en beloven den zoo lang voor menschen en dieren ge-
wenschten regen. Maar telkens ook drijven die wolken weer
af, of schijnen daar loom en werkeloos te blijven hangen, zon-
_ der haar inhoud te willen of te mogen uitstorten over de aarde.
Dat komt omdat de booze Asoeren, ’t zij dan Vritra, of Ahi,