HomeVedenstudiënPagina 27

JPEG (Deze pagina), 474.17 KB

TIFF (Deze pagina), 6.60 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

l
DE HEMEL.
F . lloor, Yaroena! mijn roep!
Wees gunstig mij! U roep ik,
j llulpbelioevend, aan.
!
i Heer aller werelden,
j Der lieemlen en der aarde lleerl
l Luister op Uwen weg!
l
I Ontbind de keerden, die mij binden,
Het bovenste, laagste, middelste,
Opdat ik leve door Tj!
Niet minder krachtig doet het gevoel van schuld en de bede
om vergeving zich hooren in een anderen zang, ­~ lt. V. VII.
2-e;
;
l Welke is mijn seliuld, 0 Yaroena!
i De Wijzen naadrend, vraag ik hen;
En allen zeggen mij lietzelitle;
` De toorn des Heeren is op ul
Wat groote zonde bedreef ik,
l)at Gij slaanwilt Uw dienaar en vriend?
Zeg liet, o lleer! 0 Almagtige!
. En biddend keere ik, vrij van kwaad.
Van der vaderen zonden verlos ons,
l lün van die wij zelven begingenl
{ Verlos, o Heer! als den dief ons,
# l)ie genoot van liet gestolen vleesch
' Verlos 011s als ’t kalf van zijn handen!
E
E Niet onze wil, o Yaroena!
l `erleiding alleen deed ons dolen,
_ Wijn, toorn, het spel of onbedaelitzaamheid.
Wat sterker is, verwint den zwakke;
i Ook slaap zells baart liet kwaad.
De alwetenlieid der Deva’s, en in ’t bijzonder van Varoena,
roemt in merkwaardige bewoordingen vooral een liymne, die.