HomeVedenstudiënPagina 26

JPEG (Deze pagina), 427.83 KB

TIFF (Deze pagina), 6.60 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

I
20 veonnsruinièw.
mandala, van welken wij hier het belangrijkste gedeelte laten _
volgen, ­ vs. 1­-3. 7. 9 -­12. 14. 1G. 19---21: -
Daaglijks schenden, Varoena! j
Wij menschen Uwe wet. Q
I
Doch geef aan den dood ons niet over, I

Noch aan der boosaardigen slagen, i
Noch aan onzer hateren woede! |
Uw gunst hcjagend , slaken wij
De banden van [vw geest door zang,
Als van ’t vermoeide strijdros
De wagenmenner de strengen.
t
Hij, die de Vlugt der vooglen kent, I
I
Der vooglen in de lucht, en de schepen, i
Die op de wateren zijn; ‘
I
Die de wegen kent van den wind, I
Den groote, den magtige, geweldige,
En hen die daar wonen omhoog;
Orde bewarend troont Hij,
Sehittrend to midden der zijnen,
Heersehcnd niet wijsheid, Yaroena!
Alle wondren ziet Hij vandaar, I
Wat geschied is en wat komen zal. I
Make, alwijs, Hij onze paden regt, I
En verlenge llij ons leven! E
I
I
Den God, dien de spotters niet honen,
Noch boozen, noch haters der menschen; •
Hem zoekend, den Yerziende,
Gaan mijne gedachten voort,
Als kndden naar hare weiden.