HomeVedenstudiënPagina 12

JPEG (Deze pagina), 718.24 KB

TIFF (Deze pagina), 6.77 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

(3 vnnn>:s·reo i iär-J.
kerheid kunnen uitmaken, in welken tijd de oudste Vedaliede-
ren nog niet hebben kunnen bestaan. een tijd, naar de zoo-
even vermelde berekening, dan voor ’t naast te bepalen op
ongeveer 3000 jaren vóór dezen. Ook de nadere vraag, welke
stukken van den Veda tot de oudste. welke tot de betrekke-
lijk nieuwere moeten gerekend worden, is voor ’t overige al
evenmin voor eene stellige beantwoording vatbaar. Wel mee-
nen enkelen een meer modern karakter aan die hyinnen te
moeten toesehrijven, die zekere bepaalde ollerliormulieren be-
vatten; doch wederom anderen, als Hang, verklaren zich juist
voor eene tegenovergestelde meening, en laatstgemelde heeft
zich zelfs sterk gemaakt, te bewijzen, dat sonnnige vaste ter-
mules, bij de ollerplegtigheden‘ in gebruik en gelijk zij ook in
den Yadjoer-Veda worden aangetrotlen, tot de alleroudste over-
blijfselen uit den tijd der Vedisehe Ariers hehooren geteld te
worden. Ook de denkbeelden, de voorstellingen, de vormen F
in welke de dichters zich uiten, leveren nog volstrekt niet,
gelijk sommigen ineenen, een vasten en vertroinrliareii maat-
staf voor de bepaling van hun vroeger of lateren leeftijd. Het
eenige nagenoeg stellige kenmerk dan blijft ten slotte alleen
de taal, in zoover men zonder gevaar van grove dwaling mag
aannemen, dat sommige woorden en taalvorinen in den oud-
sten tijd, tot welken de Yoda ons toelaat op te klimmen, blijk-
baar nog niet in gebruik zijn geweest. En dit leidt ons als
van zelf tot eene laatste voorloopige opmerking; namelijk om-
trent de taal, waarvan de Veda in ’t algemeen zich bedient, en
hare verklaring in latere, als ook in onze dagen.
llet Vediseh of (Jud-Sanskrit verschilt aanmerkelijk, zoo wat
de taalvormen als wat de beteekenis der woorden betreft, van
het nieuwere of klassieke. Zoozeer zelts dat de kennis van
dit laatste slechts een zwak hulpmiddel mag heeten voor die J
van het eerstgenoemde. lloeh, wat erger is, de volkomen
nauwkeurige kennis van het Vediseh ging zoo goed als verlo-
ren. 'l‘oen de lndiers zelven hunne Vedenverklaringen begon-
nen op te maken, was de oude taal sinds lang niet anders meer
dan bij de olierplegtigheden in gebruik. en hetgeen bij deze
gesproken werd bestond meest sleehts in de herhaling der Vediselie
lIlEllf,l'áL’S zelve, zoodat dan de bedoelde verklaringen voor een
groot deel op overlevzringen en voor een ander op gissingen.
en menigmaal ook niet weinig gezoehte, der verklaarders zelven
berustten. Het dat al zonden wij heden ten dage zoo goed