HomeVedenstudiënPagina 11

JPEG (Deze pagina), 776.78 KB

TIFF (Deze pagina), 6.83 MB

PDF (Volledig document), 51.43 MB

DE VEDA. 5
tusschen vooralsnog ondoenlijk. ln de eerste dagen van op-
gewondenheid over de nieuwe ontdekking lieten verscheidene
Europesehe geleerden zich tot allerlei avontuurlijke droombeel-
den omtrent eene fabelachtige oudheid van den Veda verleiden;
doeh spoedig volgde eene reactie en begonnen anderen de be- ·
doelde verzamelingen weder tot een veel nieuweren tijd terug te
brengen. Een vast punt van berekening meende men inmid-
dels gevonden te hebben, toen de beroemde Colebrooke in eene
soort van Vedisehen kalender, dienende ter bepaling van zekere
godsdienstfeesten, enkele astronomische opgaven ontdekte, door
welke hij tot het besluit kwam, dat de liederenverzameling van
den Rig-Veda omstreeks de veertiende eeuw vóór onze jaar-
telling moest zijn voltooid geweest. Nadere beeijfering even-
wel hragt dien tijd tot de twaalfde eeuw terug; en in de laat-
ste jaren werd het afdoende van de gansehe berekening ter
Q- bepaling van den tijd der verzameling weer aan ernstigen twij-
fel onderworpen. lilen anderen weg sloeg nu Max Müller in.
Eene opmerkzame beschouwing van de zooeven met een woord
vermelde, tot de Vedenlitteratuur behoorende boeken leidt tot
de stellige, en door niemand ook betwiste overtuiging, dat zij
verschillende, met aanmerkelijke tusschenruimten op elkander
volgende, reeksen of klassen vormen, en dat tot de wording
van elke dezer een zeker, ’t zij dan grooter ’t zij geringer
aantal jaren is noodig geweest. Op die wijze nu van den
Boeddhistisehen tijd tot dien der vermoedelijk oudste Veda-
hyinnen terugrekenend, komt de genoemde schrijver voor deze
laatste tot de dertiende eeuw vóór onze jaartelling. De me-
thode van onderzoek goedkeurend, noemen intusschen nagenoeg
alle overige deskundigen de langs dezen weg gevonden tijds- I
bepalingen veel te eng: en ook Müller zelf schijnt toe te ge- ·
j ven, dat hij eer getracht heeft, den Veda toeh vooral niet te
i oud te maken dan de inderdaad meest waarschijnlijke tijdsbe- ‘
, paling te vinden, in zoover hij toch erkent, dat zijne bereke- j
ning alleen aannemelijk is in de onderstelling, dat de ontwik-
keling van den mcnschelijken geest in de vroegere perioden
der geschiedenis veel sneller is geweest dan in latere. Het
j tegendeel nu mag ongetwijfeld wel vrij wat waarschijnlijker
l worden geacht. Met dat al blijft de wijze van onderzoek te
‘ waarderen gelijk die hier in ’t werk werd gesteld; en, geeft
zij ons nog geene positieve uitkomst, zij levert in elk geval
j een negatief resultaat, in zoover wij thans met genoegzame ze-
A `
L
i

l
i` ,, , ,