HomeDe maan der kennisPagina 8

JPEG (Deze pagina), 803.45 KB

TIFF (Deze pagina), 6.72 MB

PDF (Volledig document), 33.09 MB

il
l
I
1
6 DE MAAN DER. KENNIS.
dier wisselende vormen bevangen. Door nadenken en bespie-
geling over de ijdelheid aller uitwendige dingen komt hij tot
zich zelven: hij wordt zich zelf bewust, en herkent zijn eigen,
eeuwig wezen te midden van die wisseling der verschijnselen. t
Z In dat zelfbewustzijn is hij zalig, van allen harstogt vrij, door
geene gemoedsbeweging in zijne eeuwige rust verstoord, en, .
wetend dat er buiten hem niets wezenlijks bestaat, ook alwe-
tend en oppermagtig door het begrip van zijne almagt en on-
eindigheid. ­- Hoe echter geraakt nu de mensch tot de kennis
van den Geest? Hoe verkrijgt hij de zekerheid, dat de Geest
het eenig en eeuwig wezen der dingen is? Eenvoudig door
na te denken over zich zelven en zijne eigene gedachte. Wie
toch is het, die den Geest als het Wezen te midden der ver-
schijnselen leert begrijpen? Wie anders dan hij, de denkende '_
mensch zelf? En waar en in wien vindt hij den Geest? Al
wederom nergens anders en in niemand anders dan in zich zel-
ven. Hij zelf dus is die eeuwige en oneindige Geest; hij zelf, `
-- dat is natuurlijk niet zijn eindig en voorbijgaand Ik, maar j
zijn ware wezen, - is God. En in dat godsbewustzijn, dat
tevens zijn hoogste zelfbewustzijn is, leeft hij vrij en zelfstan- I
dig, vrij van hartstogt en zonde, en voor altijd uit de banden
der eindigheid verlost. '
Houden wij dit begrip van den Geest, als den God-mensch, l
nu wèl i11 het oog, dan heeft ook het drama van Krishna Mi- I
çra, althans wat de wijsgeerige strekking aangaat, niets wat ons j
duister behoeft te schijnen. Laten wij echter het bedoelde be- ·
grip wederom los, gaan wij ons God en wereld, God en mensch L
weêr als gescheiden, als tweeërlei substantie voorstellen, be- I?
schouwen wij den Geest nu eens als den oneindigen Algeest
en dan weêr als dcn eindigen geest des menschen, stellen wij
alzoo den buitenwereldlijken God weêr in de plaats van den
aldoordringenden, stellen wij den transcendenten in de plaats
van den immanenten, dan loopen groot gevaar, geen enkel
woord meer van de ganschc zaak te verstaan. De hoofdbedoe- l
ling toch van het stuk is geene andere dan eene dramatische
inkleeding te geven aan het zoo aanstonds omschreven zelfbe-
wustworden van den Geest. Bevangen namelijk in de menig-
vuldigheid der uit hem zelven, door de gezamenlijke werking van
Verstand en van Schijn. voortgesproten eindige verschijnselen,
en daardoor zich zelven en de wereld onderwerpend aan de
magf van redclooze liai‘(stogimi. moet hij door de overwinning
1