HomeDe maan der kennisPagina 7

JPEG (Deze pagina), 726.87 KB

TIFF (Deze pagina), 6.69 MB

PDF (Volledig document), 33.09 MB

l `«
I
j nic ‘,Lx.x>: 1>1·;n iïrcxnis. 5
j met den hooFdzal<elijken inhoud en de strel<l<ing van het stuk
4 eenigermate bekend te maken. Althans wij zien geene reden j
; om de proef niet te wagen: zelfs al mogt het ons niet gelulclcen.
den ganschen zin van het werk volkomen en algemeen begrij-
V pelijk te doen worden. wij zullen niettemin op menige bijzon-
| derheid kunnen wijzen. die uit haren meer algemeen mensche-
lijken aard niet alleen voor een ieder zeer goed verstaanbaar,
maar ook der opinerlczaamheid van elk beschaafd lezer ten volle
waardig zal blijken te zijn. I
Nuttig schijnt ons intusschen. eer wij tot den inhoud zelven
overgaan, een kort woord vooraf over het wijsgeerig en gods-
dienstig standpunt van den dichter. een streng Vedantist of
regtzinnig Brahmaan van den lateren tijd, en. wat het uitwen-
_ dige of vormelijlqe der eeredienst aangaat, een Vishnoeïet. 'llen
j opzigte van het stelsel van den Vedanta, of het orthodox-geloo-
vig systeem der latere Brahmanen. konden wij alligt met eene
verwijzing naar onze vroegere verhandeling over dat stelsel
volstaan. Eene vlugtige herinnering evenwel aan de grondbe-
~ ginselen der bedoelde theorie is hier misschien nog niet over-
tollig.
Alle dingen, - dus leert de Vedanta. - zijn eindig en
voorbijgaande. Al de uitwendige, zinnelijke verschijnselen zijn
j slechts vormen en gestalten. Zij hebben initsdien niets wezen-
j lijks dan het eene en eenige lllezen der dingen zelf. En dit
E wezen is de Geest. die in de verschijnselen en in den mensch
j zelven zich openbaart. De Geest is de schepper en onderhou-
j der aller dingen: in hem keeren zij alle weder terug: hij is de
die heer van het heelal. boven en buiten wien niets bestaat. De
Geest is God. -­- Door zich evenwel te openbaren en te uiten
in zijne verschijnselen treedt de Geest als ’t ware buiten zich
zelven: hij vermeuigvuldigt zich: hij schijnt in de veelvuldige
I gestalten der buitenwereld verdeeld. en in deze opgelost. ldtare
' dit nu werlcelijk en niet enkel schijnbaar het geval. de Geest
zou daarmede als zoodanig oelc ophouden te bestaan: hij zou
ondergaan in zijne schepping; oi' liever. men zou moeten aan-
nemen. dat hij nooit bestaan had. verniits dan juist de menig-
vuldigheid der dingen en niet de eenheid van het Wezen de
waarheid zou zijn. Dit :·<·hter is oinnogelijla; want wat voor-
bijgaand is (en geen enl<<·l versehijnsel is bestendig) kan ook
geen wezenlijl<e onverganl<elijke waarheid worden genoemd. -
llfaar de (leest hlijll dan nok geenszins in de nienigvuldigheid
I
l