HomeDe maan der kennisPagina 40

JPEG (Deze pagina), 747.07 KB

TIFF (Deze pagina), 6.79 MB

PDF (Volledig document), 33.09 MB

38 DE MAAN DEH 1<ENN1s.
"Hem, uit wien ’t Al ontspruit, tot wien het wederkcert,
Aan wien ’t zijn glans ontleent, in wien het zalig is,
Hem, zalig in zich zelf, door daden niet verstoord,
Der wezens Heer, in wien, het eindig voortbestaan
Ontvliedend na den dood, de goeden ’t eeuwig leven
Erlangen onverdeeld, hem loof ik, hem, den Geest!"
Maar niemand verstond haar: niemand bezat nog de Kennis,
die van noode is om den Geest te leeren begrijpen. De een
bleef het beginsel aller dingen de Daad noemen, een ander de
Kracht; geen hunner bevroedde, dat het eerste en hoogste noch
de handeling zelve kan zijn, noch de kracht die de handeling
teweeg brengt, maar dat het de Geest alleen is, die het al doet
geboren worden en onderhoudt, de Geest alleen die levend
maakt. Vandaar dan ook dat geen van allen zich wist te be- ,
vrijden van die hoop op loon en vrees voor straf, die alleen i
heil in goede werken ziet en niet in het geloof, die alle ware
zelfstandigheid, dus ook alle waarachtige vrijheid en zedelijk-
heid doodt, en die alleen hij weet ter zijde te stellen , die het
eigenlijk wezen der dingen in den reinen geest zelven herkent.
I Door allen dan ook uitgeworpen, door sommigen zelfs vervolgd,
omdat zij weigerde hu11 oogmerken dienstig te zijn, vlood in
’t einde Openbaring naar CCII nabijzijnden Vishnoe-tempel, waar
zij welwillende verpleging vond, totdat Geloof haar kwam uit-
noodigen om zich te hereenigen met Koning Rede, den voortaan
onbetwisten troon met hem te deelen , en met hem thans hare
hulde te brengen aan den wezenlijken en eenigen Opperlieer. j
Verbaasd ziet de Geest in ’t ronde bij het vernemen van
die taal. Wie en waar is dan die Opperlieer, die God, van
wien Openbaring spreekt? - "Ben ik dan, - vraagt hij, -
ik, de Poeroesha, de Mensch, ben ik dan zelf de Geest van
wien getuigt?"
- "Zoo is het inderdaad! - antwoordt de Openbaring: - Uit
de strikken bevrijd, door Schijn u gespannen, ziet gij thans
' met onbeneveld oog de waarheid, die lang u verborgen bleef.
Ken, Geest des Menschen, dan, ken, Algeest! thans u zelven:
Daar is geen and’re niagt, geen Heer, geen God dan gij !"
En nu verrijst, opgeroepen door Mleteiisehap. met helderen
glans de Maan der Kennis, en verdrijil de laatste sel1a<lim·<~n