HomeOverzicht van het middelbaar onderwijs bij het einde van 1867Pagina 38

JPEG (Deze pagina), 600.83 KB

TIFF (Deze pagina), 7.10 MB

PDF (Volledig document), 40.06 MB

35
van kan ik, zoover de ondervinding der vier laatste jaren reikt,
de verzekering geven.
Nog eene enkele opmerking. Wanneer de wijze, waarop die
examens worden afgenomen, zoo ondoelmatig was en strekte om
_het den kandidaten lastig te maken, zou dan de uitslag wel zoo
gunstig geweest zijn, als blijkens de bovenstaande opgaven in de
I beide laatste jaren het geval is geweest?
§ 5. De kosten.
Aangaande de kosten der hoogere burgerseholen in 1869 kan
ik geen opgaven doen, behalve hetgeen in § 3 over de jaarwedden
der leeraren is medegedeeld.
In het bedrag der schoolgelden is voor de in 1868 bestaande
scholen geen wijziging gemaakt. Voor de nieuwe in 1869 opgerichte
bedroeg het:
te Wageningen f 40 ’sjaars voor het volledig onderwijs; tot
het bijwonen van enkele lessen worden alleen de leerlingen der
l latijnsche school toegelaten zonder hooger betaling;
_ te Schiedam f 45 voor het volledig onderwijs en f 6 tot f 15
per vak voor enkele lessen;
te Zierikzee f 40 voor het volledig onderwijs en f 10 per vak
voor enkele lessen;
aan de handelsschool te Amsterdam f 180 voor het volledig
onderwijs, f 10 tot f 25 voor enkele lessen enf3<) voor den
avondcursus.
lànuennseiionniv.
De wet tot regeling van het middelbaar onderwijs, die in art.
14i aan gemeenten met meer dan 10000 zielen de verplichting tot
oprichting eener burgerdag- en avondschool oplegt, behoudens
de mogelijkheid tot geheele of gedeeltelijke dispensatie door den
° Koning, bepaalt tevens in art. 91, dat binnen een termijn van zes
1 jaren na het in werking treden dier wet aan dat voorschrift moet
j worden voldaan. Daar die termijn den 1 Julij 1869 is verstreken,
t kan thans worden nagegaan, hoe hieraan uitvoering is gegeven.
I Bij het in werking treden der Wet waren er 36 gemeenten met