HomeOverzicht van het middelbaar onderwijs bij het einde van 1867Pagina 32

JPEG (Deze pagina), 824.56 KB

TIFF (Deze pagina), 7.06 MB

PDF (Volledig document), 40.06 MB

29
De verhouding tusschen het getal der geëxamineerden en dat
der toegelatenen was dus in 1869 nagenoeg dezelfde als in 1868,
namelijk als 5 tot 4. Het verdient echter de aandacht, dat aan 14
hoogere burgerscholen, van welke 51 leerlingen examen aflegden,
geen enkele werd afgewezen, en dat de 19 afwijzingen alle plaats
hadden onder de 44 kandidaten der 5 overige scholen en wel voor
het grootste gedeelte te Amsterdam, Delft en ’s Gravenhage. Van
de twee kandidaten, in de tabel vermeld als geen leerlingen eener
hoogere burgerschool, was één leerling van het gymnasium te Rot-
terdam, die in den laatsten tijd aan de Polytechnische school had
,_ gestudeerd, en één leerling van het Instituut Noorthey, die in het
laatste jaar bovendien in twee vakken het onderwijs aan de hoogere
; burgerschool te Leiden had gevolgd.
Dat niet allen het eindexamen afleggen om de Polytechnische
school te gaan bezoeken, blijkt uit eene vergelijking van het getal
van 78 toegelatenen met de 41 bezitters van het getuigschrift, die in
1869 aan de Polytechnische school werden ingeschreven. Dit mag
mijns inziens een gunstig verschijnsel genoemd worden.
De eindexamens hebben in de jaren 1868 en 1869 plaats gehad
volgens eene nieuwe regeling. Het schriftelijk en het mondeling
A onderzoek zijn in zoover van elkander gescheiden, dat het eerste
tegen het einde van den cursus aan de hoogere burgerscholen
wordt gemaakt, het mondeling onderzoek daarentegen ten overstaan
van de door de Commissarissen des Konings benoemde commissiën
wordt afgenomen. Elke commissie stelt, zoo spoedig mogelijk na
hare benoeming, eene reeks vragen voor het schriftelijk examen
; vast en zendt die aan den inspecteur van het middelbaar onder-
wijs; de drie inspecteurs doen gezamenlijk uit alle ingezonden op-
, gaven eene keus. De door hen gekozene worden aan de landsdrukkerij
gedrukt en streng geheim gehouden; aan elke school wordt, in
verzegelde pakketten, een voldoend getal afdrukken gezonden voor
de kandidaten, die daar het schriftelijk werk zullen maken; de
Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt de dagen (voor alle
scholen dezelfde), waarop voor ieder vak schriftelijk werk wordt
gemaakt; de gezegelde pakketten worden eerst op die dagen ge-
opend en het werk wordt onder toezicht, doch zonder hulp, van
een tweetal leeraren gemaakt, en onmiddellijk daarna aan den
Voorzitter der Commissie verzonden, die het aan de leden doet
. toekomen, voor dat vak als exarninatoren aangewezen. Een of twee
weken na afloop van het schriftelijk examen, komt de commissie
bijeen voor het mondeling onderzoek , dat voor iederen kandidaat H