HomeOverzicht van het middelbaar onderwijs bij het einde van 1867Pagina 29

JPEG (Deze pagina), 884.40 KB

TIFF (Deze pagina), 7.09 MB

PDF (Volledig document), 40.06 MB

26
1869 bijna 17 ten honderd werden afgewezen. Is deze uitkomst,
zoo als wel waarschijnlijk is, aan meer gestrengheid toe te schrijven,
dan is er alle reden om zich er over te verheugen. Onder hen,
die toelating verlangden, waren er 369, welke aanstonds het vol-
ledig onderwijs in eene hoogere klasse wenschten te volgen; van
hen moesten echter 168 naar eene lagere dan de verlangde ver-
wezen worden. (°“) Wat de Rijksscholen betreft, zij hier nog op-
gemerkt, dat voor de laagste klasse geen eigenlijk toelatings­examen
wordt gehouden en dus ook, strikt genomen, niet van afwijzen
sprake kan zijn. Blijkt een jongen, die zich heeft aangegeven, niet de
noodige kennis te bezitten om de lessen met vrucht te kunnen volgen, ‘
dan wordt aan zijne ouders de raad gegeven, hem niet ter school te
zenden; verlangen de ouders niettemin zijne toelating, dan moet
die volgens het reglement worden toegestaan. Dit is in 1869 weder
met eenige leerlingen der Rijksscholen het geval geweest.
Wat de bij het einde van den cursus 1868-1869 gehouden over- ,
gangs-examens betreft, de eerste kolom van het tweede gedeelte
der tabel wijst het getal der leerlingen voor het volledig onderwijs
aan, die op dat oogenblik nog aanwezig waren in die klassen,
waaruit men tot eene hoogere kon overgaan. Dit bedroeg 2039;
daar dit getal, volgens mijn voorgaand overzioht,bij het begin van ­
dien cursus 2169 bedragen had, volgt daaruit, dat in den loop van
den cursus 130 leerlingen de scholen verlieten. Van die 2039 namen
1929 aan het overgangs examen bij het einde van den cursus 1868/69
deel; 110 bleven dus weg, of omdat zij toch voornemens waren
de school te verlaten, of omdat zij voor zich geen kans op slagen I
zagen; van deze 1929 werden 1282 tot eene hoogere klasse toe-
gelaten, 6447 afgewezen. Deze uitkomst is dezelfde als in 1868;
toen werden van de 100 leerlingen 67 bevorderd en 33 afgewezen;
in 1869 waren deze cijfers 66 en 34;. Hoe zeer ook gestrengheid
in dit opzicht wenschelijk zij, ik ben steeds nog van gevoelen, dat
de uitslag gunstiger moet worden en dat in den regel meer dan
twee derden der leerlingen bij het einde van het jaar tot eene
hoogere klasse moeten kunnen worden bevorderd. Van hen, die niet
tot eene hoogere klasse kunnen overgaan, verlaten velen voor goed
de school om dan in den regel geen of slechts weinig onderwijs
meer te genieten; dit getal bedroeg bij ’t begin van den cursus

(*) BQ deze laatste cijfers is niet opgenomen het getal van hen, die aan de
h. b. te Amsterdam toelating tot eene hoogere klasse verlangden; daarvan kan,
nithoofdc van de büzonderc inricliting van het examen, geen opgave gedaan worden.