HomeOverzicht van het middelbaar onderwijs bij het einde van 1867Pagina 14

JPEG (Deze pagina), 816.40 KB

TIFF (Deze pagina), 6.91 MB

PDF (Volledig document), 40.06 MB

1 l
Nagenoeg alle in die tabel voorkomende scholen zijn thans
volledig in werking. Alleen ontbreken nog de 3,, klasse te Wage­
ningen, de 4c te Hoorn, de 5** te Tilburg, Zierikzee en Kampen.
Er zijn echter zeer vele onder dein de drie laatstejaren opgerichte,
wier hoogste klassen nog slechts een betrekkelijk gering getal leer-
lingen` tellen; ik twijfel niet, of na verloop van weinige jaren zal
de verhouding van het getal der leerlingen in de 4c en 5c klasse
tot het geheel getal gunstiger zijn. De redenen, waarom de twee
hoogste klassen altijd minder leerlingen voor het volledig onderwijs
zullen tellen, heb ik in mijn vorig overzicht (Economist 1869 , bladz.
335) reeds uitvoerig uiteengezet, zoodatik meen daarheen te mogen
verwijzen.
Het geheel getal leerlingen heeft in het laatste jaar weder eene
aanzienlijke vermeerdering ondergaan. Dat voor het volledig on-
derwijs vermeerderde met 412, dat voor enkele lessen met 57,het
totaal met 469. Hiervan komen voor de vier nieuw opgerichte
scholen slechts 173, zoodat de vermeerdering voor dein 1868 reeds
in werking zijnde 296 bedraagt. Het gemiddeld getalleerlingen per
school is dan ook toegenomen; in 1867 bedroeg het nagenoeg 77,
in 1868 ruim 74, in 1869 is het geklommen tot ruim 78,een cijfer
dat tot dusverre niet was bereikt. De totalen zijn voor alle klassen
vermeerderd, voor de lc met 179, voor de Ze met 108, voor de
3c met 79, voor de 4c met 40, voor de 5,, met 6. De vermeerderfng J
` in de hoogste klasse is dus gering, hetgeen ik voornamelijk toe-
sohrijf aan het betrekkelijk gering getal leerlingen der 4C klasse
in 1868. De aanzienlijke vermeerdering van de drielaagste klassen
opent uitzicht op eene betere bevolking der beide hoogste over twee
of drie jaren.
4 De verhouding tusschen het getal der leerlingen voor het volledig
onderwijs en van die voor enkele lessen is nagenoeg dezelfde gebleven ;
in 1868 namen van de 100 leerlingen 85 deel aan het volledig on-
derwijs, 15 slechts aan enkele lessen; in 1869 bedroegen deze
cijfers 86 en 14, dus iets gunstiger voor het volledig onderwijs.
` Beschonwt men de cijfers voor de verschillende schooljaren in de
tabel op bladz. 10, dan moet het in de eerste plaats de aandacht
trekken, dat bij sommige scholen een voortdurende aangroeijing van j
het getal leerlingen heeft plaats gehad; dit loopt vooral in het oog voor
’s Hertogenbosch, Breda, Zalt­Bommel, ’s Gravenhage, Rotterdam, H
Dordrecht, Amsterdam, Deventer en Groningen. Bij de meeste an-
dere is het in de twee laatste jaren ongeveer hetzelfde gebleven;
voorbeelden van voortdurende achteruitgang zijn niet te vinden; ver-