HomeHet Middelbaar onderwijs voor meisjes in 1876Pagina 17

JPEG (Deze pagina), 768.05 KB

TIFF (Deze pagina), 6.94 MB

PDF (Volledig document), 28.98 MB

1
I
14
wiskunde, rekenen en boekhouden daaronde1· begrepen, belast; te
; Haarlem en te Arnhem geeft eene der onderwijzeressen, krachtens
eene acte als hoofdonderwgzeres, eenig onderwgs in rekenen; te
Rotterdam is eene onderwijzeres, welke eene acte voor M. O. in de
1 natuurlüke historie heeft verkregen, met het onderwijs in plant-
en dierkunde belast. Voor het teekenen zijn overal leeraren, be-
halve te Leeuwarden en te Amsterdam, waar dit onderwüs aan
eene onderwyzeres met acte voor M. O. is opgedragen; voo1·
1 gymnastiek zyn onderwgzeressen te Arnhem en Rotterdam, leeraren
te Haarlem, Goes, Leeuwarden, Deventer e11 Groningen; te Dor-
j drecht, Amsterdam en Utrecht wordt geen onderwijs in gymnastiek
l gegeven. Afzonderlgke leeraren in aesthetica of kunstgeschiedenis
. vindt men te Amsterdam en te Rotterdam; aan de school te
Dordrecht wordt hierin onderwüs gegeven door den leeraar in
teekenen, te Utrecht door de Directrice en te Deventer door den
leeraar, die tevens met onderwüs in staathuishoudkunde en gronden
der staatsinriehting is belast. Te Arnhem en Leeuwarden zün
afzonderlüke leera1·en voor gezondheidsleer aangesteld; aan de
scholen te Arnhem en Groningen zijn leeraren, aan die te Leeu-
warden is eene onderwüzeres voor den zang; aan de school te
Haarlem wordt hierin door eene der onderwgzeressen onderwijs
gegeven. Onderwyzeressen in handwerken zijn aan de scholen te
Rotterdam, Dordrecht, Haarlem, Goes, Leeuwarden en Groningen;
te Arnhem en Utrecht wo1·dt het onderwüs door eene of meer der
gewone onderwüzeressen gegeven; te Amsterdam en te Deventer _
komt dit vak niet op het programma voor.
Uit het voorgaande is reeds eenigszins gebleken, dat de pro-
gramma’s der onderscheidene scholen niet geheel dezelfde zijn;
nogtans is het verschil niet groot. Het zou een onnoodige omslag
zijn die hier in hun geheelen omvang op te nemen; ik bepaal mij
dus tot een beknopt overzicht, waaruit men kan nagaan, waarin
hoofdzakelijk het ve1·schil bestaat. Als uitgangspunt zou daarbü
kunnen dienen het programma, dat ik in 1870 heb gegeven (Eco-
nomist 1870, bl. 23). Men zal zich herinneren dat ik dat als eene
eerste proeve heb gegeven, waarover de ondervinding later uitspraak
zou doen; toen reeds vermoedde ik, dat wellicht een gedeelte van
den tüd, voor de handwerken bestemd, beter aan teekenen kon
worden besteed; de ondervinding heeft spoedig doen zien, dat
dit vermoeden juist was. Nog enkele andere wüzigingen van
ondergeschikt belang zou ik wenschen ingevoerd te zien, zoo als