HomeStemmen over het onderwijs aan meisjesPagina 11

JPEG (Deze pagina), 852.55 KB

TIFF (Deze pagina), 8.35 MB

PDF (Volledig document), 13.11 MB

J
9
Voorzeker, niets minder. Het geval is, dat men in Duitschland aan de goede
rg áöhere Töcázfcrscáulevz reeds vóór jaren aan de zestien-, aehttienjarige meisjes on-
derwees, wat men in Nederland nog niet aan hoofdonderwijzeressen leert; dat
men daar reeds iets beters zoekt, en ernstig zoekt ook; het geval is eindelijk,
dat men hier geen kopy van de áöhere Yöcá/erscázz/r· beoogt, maar iets anders, dat
minder idealistisch, de praktische roeping der vrouw in het oog houdt zonder hare
ideale zijde te veronachtzamen. Het geval is dit, dat sleur, en vooroordeel, en
eonservatismus, en cleriealismus, en orthodoxismus, en aristoeratismus, en - eigen-
belang zich ook hier weêr tegen allen vooruitgang kanten.
De heer D. VV. v. C. is echter niet onhandelbaar: ,,Moet er dan” - vraagt
hij - ,,niets door dit departement gedaan worden voor onderwijs aan meisjes,
goedkooper, zooal niet beter, dan op de bijzondere scholen ?" En zijn antwoord
is: ja. Hij wenscht, ·,,dat er van wege de Maatschappij hier eene school voor
* meisjes worde opgericht, waar men aanvange met kinderen van zes Et zeven jaar;
dat men die de beste opleiding geve, die aan zulk een inrichting mogelijk is, en
dat men die school, zonder gewaagde proefnemingen, late bestaan totdat de eerst
aangenomen leerlingen den twaalfjarigen leeftijd hebben bereikt. Dan zal het de tijd
zijn om te overdenken of voor dezen middelbaaronderwijs nuttig of wensehelijkzijn
kan. Dit houdik voor den eenigen weg; al het andere is rondtasten in het donker."
De heer D. `W. v. C. is waarschijnlijk lid, en ijverig lid van het bestuur van
den Acclimatatie­luin. Daar is een allerliefst beestje uit den vreemde aangevoerd
een aardig diertje; maar niemand kent het, en zeer loopen de gevoelens uiteen,
welk voedsel ’t beestje wel zou kunnen verdragen; de heer D. W. v. C. adviseert
om het eens met water en melk te beproeven; als ’t goed ging, kon men na ver-
loop van tijd ’t eens met lammertjespap wagen.
Heel ,,omzigtig" van het geacht bestuurslid. VVij kunnen echter, en met al de
vrijmoedigheid van ,,deskundige¤" den heer D. W. v. C. verzekeren, dat de meisjes
niet zoo even uit den vreemde zijn aangevoerd, en dat ze niet behooren tot die
onbekookte nieuwigheden van onzen tijd.
Waarlijk, ze zijn er al lang geweest.
En men heeft ze al onderwezen ook; wel 11iet altijd zoo goed als de leden van
het geslacht. waartoe de heer D. W. v. C. behoort; maar onderwezen heeft men
‘ ze, en niet maar sedert de laatste vijf, zes jaren.
En bij dat onderwijs is het gebleken, dat de meisjes geen lieve, vreemde dier-
tjes zijn, maar heuschelijke menschen, die zelfs de leer der breuken kunnen
begrijpen en nog meer. .
In vollen ernst, is de toestand van het lager onderwijs te ’s Hage zóó armzalig,
dat men nu -­- nog eens. in ’t jaar des Heeren 1870 - eerst een kuddeke meisjes
voor een jaar of vijf op een’ afzonderlijken stal moet zetten om een proef te nemen
wat er wel van te maken is? Of is de heer D. WV. v. C. wclligt even goed bekend
met het lager als met het middelbaar onderwijs? »
Maar er is immers te ’s Hage een andere Heer De WVitte van Citters, die, des-
kundig en bevoegd, gaarne zijn naamgenoot zou voorgelicht hebben?
VIII.
ONZE TIJD.
Dr. S. R. J. van Seheviehaven hragt in Onze Tyr/, All. II, de J//(Me/ba1·e
_ mez`.<yesscá0/mz ter sprake.
l

l