HomeDe inrigting der middelbare school voor meisjesPagina 6

JPEG (Deze pagina), 919.50 KB

TIFF (Deze pagina), 8.04 MB

PDF (Volledig document), 21.53 MB

I
4
dat het gebruik, de mode, het toeval, zoo ge wilt, haar in de hand
i speelt/’ Er is nog wel meer op gouvernantes aan te merken: Bertha
weet het wel, en Bertha durft het te zeggen ook. Bertha kan streng
zün en ­- meer dan streng. Daarbij generaliseert ze wel eens wat ·
veel. `Waarlijk, er zijn nog andere gouvernantes dan Bertha hier
schetst, en onder haar, die werkelijk zün zooals zij ze schetst, zijn er
die nog iets anders dan haar strenge vonnis verdienen.
Geen kostschool wil ze ook, en hoog ernstig is haar boetrede tegen
de Nederlandsche kostschoolzonde: >>Er zoude dus voor U de kostschool
overschieten, het toevlugtsoord voor meisjes, waarmede men thuis geen
raad weet, of over wier oppervlakkige kennis men een oppervlakkig
vernis wenscht te leggen .... VVaarlijk., moeder, wie gij ook zijt, uw
gezin, uw eigen omgang moet weinig opvoedende elementen bevatten,
wanneer gij tot de kostschool uw toevlugt moet nemen, om het ka-
rakter uwer dochter te vormen of te verbeteren. En wanneer zij tot
u terugkeert, laat u dan niet verblinden door een weinig aangeleerde
l kennis, die soms zoo raadselachtig spoedig weêr verdwünt, door het
vloeüende fransch of de beschaafde manier, waarmede zij vork en mes
hanteert, - maar vraag haar eens in gemoede, op haar geweten af "
(alsof ’t bedorven nest trouw opbiechten zou!) »hoeveel gesprekken er
op de kostschool gevoerd zijn, die er niet gevoerd hadden moeten wor-
den; hoeveel boeken zij, tegen den uitdrukkelijken wensch der kost-
sohoolhouderes, heimelijk heeft gelezen of anderen heeft zien lezen;
hoeveel onwaarheden er op één dag zijn gezegd, om kleine onbedui-
dende verzuimen voor harde bestraffing te vrijwaren. Vraag haar eens,
of zij den zedelüken moed heeft gehad, om de française te verdedi-
gen, die zij eerst volstrekt niet naar vond, maar die de overige kost-
meisjes met haren afkeer vervolgden. Vraag haar eens, of zij niet met
dingen heeft gelagchen, waarover eene vrouw zich niet moest vrolijk
maken; of zij niet, om het eentoonige leven te veranderen, naar ze-
nuwprikkeling, naar avonturen heeft gehaakt. Vraag haar, of zij niet
dikwijls in verzet kwam, met de anderen natuurlijk, tegen iets wat de
onderwijzeres zeide of deed, niet omdat dit op zich zelve verkeerd was,
maar omdat het van de onderwijzeres uitging. Vraag haar, hoeveel
er ’s Zondags avonds werd binnen gesmokkeld, dat liever buitenshuis
had moeten blijven; hoezeer de openheid en vertrouwelükheid van ka-
rakter leed onder alle dingen, waarvan de onderwüzeres niets mogt
weten. Neen, zoolang de kostscholen door velen worden beschouwd
als verbeterhuizen voor ondeugende en dikwijls reeds gedemoraliseerde
kinderen, of alléén als het slot eener fatsoenlijke opleiding, zoolang
zijn die scholen niet de plaats, waar men het beste onderwijs en de
reinste opvoeding moet zoeken .... Er zijn kostscholen in ons vader-
land, waar de meisjes niet bij een ongehuwden predikant ter kerke mo-
gen gaan; waar zij opvallend plotseling moeten omkeeren, wanneer
zij op de gemeenschappelijke wandelingen eene al te druk bezochte