HomeDe inrigting der middelbare school voor meisjesPagina 22

JPEG (Deze pagina), 898.85 KB

TIFF (Deze pagina), 7.99 MB

PDF (Volledig document), 21.53 MB

l
18
j zaam, en onze meisjes zijn tot de vereeniging dezer deugden nog zóó B
j ‘ weinig opgeleid, dat het, geloof ik, op zün minst genomen, gewaagd
g mag heeten, vooral bij eene nog nieuw in het leven te roepen school,
eene vrouw aan ’t hoofd te stellen. Zij zelve zoude een onaangenaam
leven tegemoet gaan doordien zij hare plaats niet geheel voldoende
zoude kunnen vervullen."
Die voorbeelden zün zeldzaam, ja; maar nog zeldzamer zal het zijn, i
dat bij de Directrices onzer middelbare scholen de kracht vereischt
wordt om een school van dien omvang te besturen. Honderd vüftig
schoolkinderen zullen aan zeer weinige scholen verbonden worden, het
tiental docenten zal wel tot een paar insmelten, en geen directrice
van een openbare hoogere burgerschool zal kostschoolhouderes zijn.
Maar ­ ’t zij, zeldzaam mogen die vrouwen zün, goede directeurs .
van jongensscholen zijn er ook niet bij dozijnen, en reeds zijn er voor-
beelden, dat hoogere burgerscholen gevoelig leden onder het gebrek E
aan administrative kracht en ontzagwekkende persoonlijkheid van den i
directeur. Daarentegen heeft een vrouw den moed om te Utrecht l
j een bijzondere middelbare school voor meisjes te openen. __
= Toch, wij geven het toe, dat voor de directrice bezwaren kunnen
j ontstaan uit het mannelijk onderwijzend personeel. Niet zooveel als L
men welligt vermoedt; de man heeft eerbied voor orde en wet. ’t Zou V
t een of ander jong docentje moeten zijn, dat de nestveeren van de aka- `
, demie nog niet verloren had, en met jeugdigen overmoed zich tegen ,
l de directrice kantte. Daarom -­ zoolang nog niet geheel het onder- l
j wijs aan vrouwen kan worden toevertrouwd - achten wij ’t een ge- · ë
lukkig denkbeeld van Arnhem om der directrice een’ wetenschappelij- Q
i ken raadsman ter zijde te stellen.
I Bertha voorkomt ons: >>Zoude de directrice dan niet gesteund kun-
; nen worden door eene commissie van toezigt7 vraagt gij welligt en ..
ik antwoord u met de wedervraag: gelooft gij werkelijk, dat het
A ontzag inboezemt, wanneer een tot besturen geroepen persoon telkens *
l hare toevlugt moet nemen tot een hooger college; dat kind en leer- j
I meester eerbied zullen hebben voor iemand, die zelve zonder steun mag-
teloos is ?" Q
Wij kunnen Bertha verblijden met het berigt, dat wij dit niet wer- j
i kelük gelooven. Maar wel gelooven wij, dat een wetenschappelijk
j raadsman, die niet de kinderen komt boemannen en niet de docenten lj
openlijk komt schoolmeesteren, maar met wijsheid de directrice voor- l
licht, met zijn’ raad haar steunt, en desnoods den overmoedigen l
2 docent op zijn plaats zet, dat zoo een man geen vijfde rad aan den
l wagen behoeft te zijn, en - als maatregel van overgang achten wij j
deze proeve niet al te ongelukkig bedacht.
l S
E
l u
. lj
3 ­
l l