HomeDe inrigting der middelbare school voor meisjesPagina 20

JPEG (Deze pagina), 876.24 KB

TIFF (Deze pagina), 7.99 MB

PDF (Volledig document), 21.53 MB

i 16
j bewijst het tegendeel. Maar zij toont ons de vruchten van het stelsel
­ der meeste höhere Töchterschulen om de vrouw door den man te laten
onderwüzen. De Klassendctmen, zooals het Weimarer prospectus er van
spreekt en Bertha ze nader schetst, moeten bij de leerlingen gemin-
i acht, gehaat en verdacht worden. Men mag een’ diender nu eenmaal
j niet, en een spion nog minder.
Wil men bewüzen, welken indruk die Klassenclctmen bij Bertha hebben
achtergelaten ?
i >>Dankbaarheid bezielt mg jegens alle die onderwijzers en ja, ook Q
i enkele onderwijzeressen C) uit vroegeren en lateren tijd, die l
B het wilde meisje wisten te boeijen, die haar kennis leerden verwerven,
niet om de eerste te zün of er mede te pronken, maar omdat zij hare
nl liefde voor de kennis wisten te winnen."
>>Ja, ook enkele 0nderwüzeressen!" Dát hebt ge ervan, arme
Klassendamen, die met het vernederend werk waartoe men u ge-
bruikte, met uw >>toezigt op alles, wat vormen en inaohtnemen van
manieren betreft,” met het >>aanvullen van opengevallen uren" u de
_ minachting der >>plaudernde" nutjes hebt berokkend; jaren nadat zü
l de school verlaten hebben, is er nog geen vonkje dankbaarheid of me-
i delijden in haar hart voor u ontgloeid. Arme vrouwelüke diendersl
Maakt het onderwüs een deel van de opvoeding uit, dan moet de
vrouw onderwijzen, voor ’t minst haar eigen geslacht.
j »Een vrouw zal wreed zijn tegen meisjes!"` Als ze een zedelijke ellen-
deling is, ja; maar wanneer de man een zedelijke ellendeling is, zal
hij niet wreed zijn tegen meisjes, maar - erger.
l Heeft Bertha nooit bij eenige kweekeling van hare school bespeurd,
j dat een mannelük onderwijzend personeel gevaarlük kan zijn voor de
1 gemoedsrust van een meisje? .............. j
Onze onderwijzeressen staan, naar Bertha’s overtuiging, op een be-
droevend lagen trap van ontwikkeling en kennis.
meenen niet onder de laatsten te zün geweest, die over den toe-
stand van vele meisjesscholen klaagden; gedurende tien jaren in naauwe
betrekking tot de Arnhemsche kweekschool, zijn wij in de gelegenheid
geweest om de vruchten van zeer vele meisjesscholen te leeren kennen;
maar met volle overtuiging verklaren wij, dat Bertha haar ongunstig
j oordeel te algemeen toepast, en wij kunnen haar de verzekering geven,
E dat menige onderwüzeres het praktische leven intrad, toegerust met
l een mate van kennis, en ontwikkeld tot een’ trap, dat zij een ont-
j moeting met Bertha niet behoeft te duchten.
Maar ware ’t zoo dat al de Nederlandsche onderwijzeressen de min-
i achting verdienden, waarmede Bertha haar bejegent -­ wáár ligt de
l schuld?
(*) Wij onderstrepen.
l
l