HomeGedachten over het ontwerp van wet tot regeling van het Middelbaar Onderwijs van 6 Junij 1862Pagina 36

JPEG (Deze pagina), 682.60 KB

TIFF (Deze pagina), 7.01 MB

PDF (Volledig document), 26.48 MB

W A A '
C
l t
ë
g _.
t 3* ï
; ` te zijn, dat de onderwijzer een voldoend examen hebbe afgelegd g
J in de vakken, waarin hij onderwijs moet geven: maar ook
niet meer. Zal zulks, wanneer de onderwijzer niet behoorlijk
j onderlegd is, niet aanleiding geven, dat hij eenzijdig ontwik-
keld worde, en zal het diensvolgens niet te vreezen zijn, dat hij "
C weder eenzijdig ontwikkele? Zonde het niet wenschelijk zijn, ·
V daarbij een bewijs te vorderen, dat hij althans op gelijken nl
trap ontwikkeld zij als zijne leerlingen, dat hij b. v. een exa-
men afgelegd hebbe naar Art. 57 in de vakken a tot p (en r)
van Art. 179- Omtrent de gelegenheid om de vereischte
kennis op te doen, is het zeker hoogst wenschelijk, hem hierin
° geheel vrij te laten; maar zoude het niet goed wezen, hem
althans eene gelegenheid te openen aan de polyteehnische j
school, zoo als reeds boven werd aangemerkt?
Ten opzigte van Art. 86 rijst de vraag, waarom aldaar de i
3 doetoren in de regten niet zijn opgenomen? ‘
‘ Met genoegen zullen de onderwijzers van openbare scholen
zeker zien, dat ook hier, even als bij de wet op het lager j
onderwijs, hun een pensioen wordt verzekerd; en dit ge- i
noegen wordt voorzeker gedeeld door hen, die meenen, dat
het er op aankomt om degelijke onderwijzers te hebben, veel
bekwaamheid van hen te vorderen, maar hen dan ook van de
zorgen des levens zooveel mogelijk te bevrijden, opdat zij in
dit opzigt geheel en onverdeeld voor de school kunnen leven.
Men bedenke hier, dat bij de wet op het lager onderwijs,
3e lid van Art. 3, wel gesproken is over bijzondere gesubsi-
F ` dieerde scholen, als eene uitzondering, -­ in hoeverre de latere
toepassing van dat artikel overeenkomstig den geest der wet
is geweest, behoeft hier niet te worden onderzocht, ­- maar
worden gevorderd; Art. 194 der grondwet vordert hier een ant-
jl woord. Dit bezwaar vervalt weder bij onze schets.
l
1
[