HomeGedachten over het ontwerp van wet tot regeling van het Middelbaar Onderwijs van 6 Junij 1862Pagina 23

JPEG (Deze pagina), 650.99 KB

TIFF (Deze pagina), 6.99 MB

PDF (Volledig document), 26.48 MB

21
lende vakken te doen verkrijgen: de beide volgende, wanneer
de ouderdom des leerlings dit beter toelaat, om diezelfde vakken
grondiger te behandelen; dan wordt er tevens de gelegenheid
opengesteld voor de leerlingen der school met driejarigen cursus,
om, na het doorloopen daarvan, nog op de school met vijf-
jarigen te kunnen worden opgenomen, indien zij zulks mogten
j verlangen. De toekomst dezer beide scholen is, ten aanzien
der leerlingen, gunstiger nog dan bij de eerste: de goede uit-
komsten toch van de tweede afdeelingen onzer gymnasien,
waar zij goed waren ingerigt, laat hieromtrent geen twijfel. j
Zij hebben evenzeer als de eerste een schoonen werkkring en j
beloven veel: maar zij hebben eenen harden strijd te wachten, A
wat de leeraren betreft; deze zullen wel in den beginne ont-
breken, en van de geschiktheid en de bekwaamheid der leer-
aren hangt hier alles at'. 1
Maar waar is nu de plaats der fmmcke scholen en institu-
iev, van de openbare scholen voor Zevende ialen? ­- want deze
zijn niet in Art. 12 opgenomen; tot de hoogere burgerscholen
Q met driejarigen cursus zijn zij toch niet te brengen. De zee-
vaart- en Izamlelsckolezz behooren naar onze schets tot het hoo-
ger onderwijs, en leveren dan hier geene bezwaren op.
Men zal die eerste scholen wel moeten inschuiven tusschen
de scholen van het lager onderwijs en de hoogere burger-
V scholen; maar waartoe behooren zij? Dit schijnt ook den
wetgever niet duidelijk te zijn geweest: althans Art. 21, 2lt ,
29, 30, 35 tot 37 spreken niet verder van deze scholen
j (misschien ware het beter in allen gevalle daar tc lezen:
t ,,gemeentelijke scholen van middelbaar onderwijs"
om daarmede in één woord zamen te vatten alle scholen, die
onder deze Art. zullen moeten vallen). Het is zoo, het amen-
dement, waarbij in Art. 1 van de wet op het lager onderwijs
, F