HomeGedachten over het ontwerp van wet tot regeling van het Middelbaar Onderwijs van 6 Junij 1862Pagina 18

JPEG (Deze pagina), 692.91 KB

TIFF (Deze pagina), 7.02 MB

PDF (Volledig document), 26.48 MB

?
re
en moet staan dan bij de voorafgaande scholen (heeft de onder- i
vinding zulks niet reeds bewezen?), dat hij vrij moet zijn in
zijne studien, -­ niet evenwel, dat die vrijheid tot losbandig­ i
heid behoeft over te slaan, maar dat hij de noodige vrijheid A
hebbe, om zich zelfstandig te ontwikkelen. Voor het eerste
bestaat er althans ten onzent geen gevaar, indien de leer- E
cursus slechts goed wordt ingerigt, en hij dat onderwijs ont-
vangt, waaraan hij werkelijk behoefte heeft; voor het laatste ‘
is, dunkt mij, eene inrigting van hooger onderwijs noodzakelijk, ­-
eene van middelbaar onderwijs, met haren daarbij noodzakelijken A
dwang van voorgeschreven cursus (3), geenszins wensehelijk.
En ook het bijzonder onderwijs behoeft hier geen bezwaar te .
geven: immers kan de jongeling van achttien jaar hier evenzeer j
geschikt worden geacht, om eene keuze van leermeesters te doen
(als die er eenmaal komen zal), als bij het zuiver-weten-
.. .. l
schappelijk onderwijs. j
3. Indeeling der scholen. Dit ontwerp spreekt Art. 12 van A
,, burgerseholen en hoogere burgersch0len," als behoorende tot '_
de middelbare van de vroegere schets, en verdeelt later,
Art. 16, de tweede soort in twee inrigtingen, naarmate zij Y
eenen drie- of vijüarigen cursus hebben; verder kan, Art. 21, W
(3) In het V. V. blz. 9 wordt opgemerkt, dat wel de leerlingen In
van de landhouwschool (Art. 38) en die der polyteehnische school ,
(Art. tl) vrijheid hebben in de keuze uit de leerstof, maar die
vrijheid hij de hoogere hurgerscholen niet. wordt vermeld: ni. i. is f
dit een nieuw bewijs, dat de eerste tot het hooger, de laatste tot j,
j het middelbaar onderwijs hehooren. Zulke vrijheid dient dan ook
werkelijk aan de leerlingen der hoogere hurgerschool 11iet te worden
verleend. De verkiesselijkheid om het aanleeren van sommige ’
vakken facultatief te stellen wordt nog V. V. hij Art. 16 aangestipt, l
hoezeer daarbij teregt wordt aangemerkt, dat >> het totverwarring
aanleiding zoude moeten geven," eene verwarring, grooter dan men
wel schijnt te vermoeden. » _

`l
lx