HomeGedachten over het ontwerp van wet tot regeling van het Middelbaar Onderwijs van 6 Junij 1862Pagina 11

JPEG (Deze pagina), 630.07 KB

TIFF (Deze pagina), 6.97 MB

PDF (Volledig document), 26.48 MB

9
beide staat de ouderdom der leerlingen: deze moeten zooverre
ontwikkeld zijn, dat zij de leerstof kunnen bearbeiden, dat zij
voor den leervorm geschikt zijn. Zoo worden in grove trekken
de kinderjaren, 6-12, voor het lager onderwijs, de jongelings- .
jaren, 12-18, voor het middelbaar, en eindelijk voor het
hooger onderwijs het begin van den mannelijken leeftijd, 18--244 U l
jaar, berekend. Verplaatst men leerstof, of leervorm, of ouder-
‘ dom, wat zoude dan wel de uitkomst van zulk onderwijs j
I kunnen zijn?
Boven werd verder gezegd, dat naast den oorspronkelijken j
. tak, de zoogenaamd geleerde vorming, nog in lateren tijd een
V tweede tak was voortgesproten uit den gemeenschappelijken N
r stam van het lager onderwijs. Maar is dit wel werkelijk zoo?
Ligt het onderscheid wel in den aard der zaak, en niet eerder j
j in de bijzondere soort van leerlingen, in het meer of minder
i vóórkomen van enkele deelen van het onderwijs? Kan niet
i aan de behoeften worden voldaan, door dezen wat meer van
dit vak, genen van een ander vak te doen leeren? ­-Wie, die
”` geen vreemdeling is in zijnen tijd, zoude aarzelen hierop een
ontkennend antwoord te geven. Neen, die beide takken zijn
wel degelijk verschillend in leerstof, zij zijn evenzeer onder-
scheiden in leervorm. Noem den eenen tak dien van zuivere
wetenschap, den tweeden dien van toegepaste weten-
schap (wel degelijk van de zoogenaamde praktijk te
onderscheiden); dan beteekent dit, dat in het eerste geval de
wetenschap in en om haar zelve hoofddoel is van het onder-
wijs, in het tweede geval de wetenschap in en om hare toe-
passing wordt onderwezen. Men werpe hier niet tegen, dat
toch toepassing het doel van de meeste studie is, in zooverre
niet bij uitzondering de wetenschap louter om zich zelve wordt
beoefend. Maar kan men dan ook zelfs bij dit laatste geval