HomeHoofden in school of niet?Pagina 4

JPEG (Deze pagina), 688.62 KB

TIFF (Deze pagina), 4.69 MB

PDF (Volledig document), 30.69 MB

.,.)....,. - .·»,¤­ v·..A.u·...4ux,LA, Lldk
ook buiten de school zijn waardeb grooter is dan die van `
I gewone stervelingen, wat in de hand wordt gewerkt door F
het feit, dat zün opleiding hem van af zijn veertiende jaar
i in een geheel afgezonderd wereldje heeft geplaatst, zoodat
hij van de ontwikkeling in andere klassen der maatschappü
geen voorstelling heeft.
Dit redeneersel, dat misschien een halve eeuw geleden
niet geheel onjuist kon genoemd worden, moet voor den
schrijver opnieuw dienst doen. Maar wanneer er in ’s mans
leege hoofd niets anders aanwezig was, wat verplichtte
hem dan toch tot schrijven!
’t is lang niet het ergste, wat hij zegt. Er zijn er meer,
die een halve eeuw achter zijn; waarom hij niet! Maar
’t geheele wezen van den man blijkt uit wat hij van den
strijd der onderwijzers ziet. Hij kent een onderwijzer, die
zich ergert, als de naam ,,hoofd" in zijn tegenwoordigheid
wordt uitgesproken.
Bij de propaganda der collega’s onderling heet het, dat
het volgenderwijze in zijn werk gaat: ,,lCn ’t hoofd doet
zooveel dwaze dingen! Van morgen liep de baas door de
gang: dat was natuurlijk weer om te spionneeren! Hij
vroeg, of ’t niet warm was in ’t lokaal: even natuurlijk,
om maar weer wat te kunnen aanmerken; zoo zoekt hij
vat, om zijn gezag te kunnen laten voelen. Gisteren is hij
rollega A op straat zonder groeten voorbijgeloopen; hij
lenkt zeker, dat die hem ’t eerst zal groeten! En deze
veek had hij ook weer wat te zeggen op mijn manier van
en leesles te behandelen. Hij meent misschien, dat ik hem
al vragen, of hij eens voor mij les wil geven! Toen ik
an morgen een paar minuten te lang op de speelplaats
leef, haalde hij zijn horloge uit; . . , nog al hatelijk . . ."
Ziedaar wat de schrijver ter kenschetsing van den
lasseonderwijzer aan het publiek meent te moeten aan-
leden. Wij zouden ons kunnen voorstellen, wanneer het
em niet gelukte tot een juiste kennis van het wezen der
zrhouding, en die tengevolge tot een eerlijke waardeering
rr tegenstanders te komen, het hem althans minder moeite
·u moeten kosten, zijn eigen zaak met eenige kracht van
etoog te verdedigen. ‘
Ook hier blijven echter de argumenten zoo laag bij den
ond, als ze nog·‘alleen maar gelden voor hen, bij wie
en noodzakelijk een laag peil van ontwikkeling moet
ronderstellen.
Ziehier voor hem de beginselkwestie:
,,De beginselkwestie ligt in·den aard der betrekking; de
weede vraag is, voor die betrekking den meest geschikten
iersoon te vinden. Niet in de eerste plaats moet de nadruk
yelegd worden op het meerdere awrlr, dat de hoofden moeten
ierrichten in vergelijking met de onderwüzers, al is dit
neerdere nu niet bepaald gering te noemen! - - maar vooral
p de meerdere verantwoordelijkheid, de meerdere zorg
soesah), die uit den aard der betrekking voortvloeit; op
e meer algemeene geschiktheid en dc büzondere capaci-