HomeHoofden in school of niet?Pagina 31

JPEG (Deze pagina), 750.55 KB

TIFF (Deze pagina), 6.47 MB

PDF (Volledig document), 30.69 MB

23
ligt een eer en voor zgn eigen gevoel het succes van zgn
werk; bovendien wil ieder gaarne moeilijke of lastige kinderen
quitteeren. Wie de zaak niet te zwaar neemt en hooge punten
geeft, komt bg de ouders in ’t gevlei: ,,Bg dien onderwijzer ’,_
leeren de kinderen best!" Zoo een krggt geen gezeur noch
verwgten, dat hg ze niet ,,kon overbrengen". De verleiding
is dus groot, er een handje mee te lichten. Lastig intusschen ,
voor den opvolger, die de zaak meer au sérieux neemt en
zichzelven en den leerlingen strenger eischen stelt. Bij de
, republikeinen zou zich - dat kan niet uitblijven ­ nog wel Z
eens verschil van meening openbaren omtrent den een of ,
anderen pupil; moet de schoolvergadering dan beslissen?
Zeker is het, dat van het al of niet terecht bevorderen der
leerlingen voor een groot deel het peil der school afhangt.
En als er een leerling van een andere school overkomt,
veronderstellen we, een lastige kwant? Wie onderzoekt hem
voorloopig? En als onderwijzer A hem in de klasse krijgt,
maar beweert, dat hij bg B moet wezen en B daarna tot
de omgekeerde meening komt?
En hoe, als onderwijzer D meent, dat een zgner leerlingen _
van school dient verwgderd te worden? Zal de schoolverga· 3
dering zgn onfeilbaarheid aannemen? Maar onderwijzer O
heeft nooit last met denzelfden leerling gehadll
Soms (vaak?) spreken ouders van ,,den pik, dien een onder-
wgzer op een kind zou hebben". Dikwijls bestaat deze slechts
in hun verbeelding; maar dan is zeker niet de onderwijzer i
zelf de aangewezen persoon om hen daarvan te overtuigen. l
Is het echter ondenkbaar, dat hij wel degelijk bestaat en zou l
het dan niet goed zijn, dat er iemand zij, die in zekeren zin g
buiten, beter gezegd boven de partgen staat, om de belangen {
van den verongelgkte te behartigen? .4
’t Werk van den onderwgzer is er een van groot geduld, .
grooten tact, groote bezadigdheid, groote toewijding, grooter
dan den mensch in doorsnee en vooral den jeugdigen mensch J
van nature eigen zijn. Ze treden zoo onbeholpen aan, de i
achttien- en negentienjarigen en al is de wil ook goed, hun i
plichts­ en verantwoordelgkheidsgevoel kan nog niet staan op i
de hoogte van hun taak, die ze niet overzien, niet omvatten
i

E
i
jl