HomeFondamenteel stelsel der landbouwkunde of eerste grondkennis waarvan de landbouwkunde moet uitgaanPagina 26

JPEG (Deze pagina), 633.43 KB

TIFF (Deze pagina), 6.75 MB

PDF (Volledig document), 27.65 MB

1
I
»
24
om het regenwater geregeld genoeg, naar beneden te la-
ten vloeijen, hetwelke ten gevolge heeft dat het regen-
water te weinig in beweging blijft; waaruit alzoo volgt,
dat er in de bovenkorst der aarde , d. i. in de groeiaarde, -·
. humus -­ op sommige tijden te veel, en op andere tijden
te weinig water aanwezig is, hetwelke wij natte en droogte
noemen; en in deze beide gevallen is er belemmering in ‘,_·
de onderlinge werking van de vier hooïdstotïen, om die j
j stofdeeltjes, dewelke tot groeijing der gewassen moeten li
dienen naar genoegzame evenredigheid van de groote massa
der vier hoofdstoflen af te scheiden; en hieruit volgt dat {
de gewassen bij overmatige natte en droogte, merkelijk _
·` minder kunnen groeüen, als wanneer, water, lucht en
S vuur, in den bovengrond aan elkander geëvenredigd zijn.
<· Daarom moet de landbouwknnde hier aanvangen om het
j eerste hoofdbeginsel, - hetwelk op de drie eerste bemer-
l kingen gegrond is; -­ in beoefening te brengen, en wel 1
op deze wijze: -­ men moet aan vruchtbare landen en
gronden, eene voldoende afwatering bezorgen, - hetwelk
in Friesland algemeen bekend is, -­ èn door slooten èn j
gruppels wordt te weeg gebragt, waardoor dan ook het
water van de landen in de algemeene kanalen wordt al`-
geleid.
` De bouwboeren in Friesland, en voornamelijk op de in
¥ kleigronden , hebben doorgaans de akkers op eene gepaste j
A breedte, de grujipels op behoo1·lijke diepte, en de landen j
naar het midden hooger opgeworpen, zoodat dezelve meestal ;
ll eene rondachtige ligging hebben , en alzoo zeer goed kun-
nen afwateren; doch weilanden vindt men nog al veel,
die te breede akkers hebben, ­- eertijds alzoo aangelegd, V
kunnen deze bezwaarlijk verbeterd worden; hetwelke in-
, tusschen op de bouwlanden minder moeijelijk valt. ­-
Akkers van weidland op de kleigrond dienen niet breeder
te zijn dan 7 à 8 Ned. el; -­- voor lage veenachtige grond