HomeFondamenteel stelsel der landbouwkunde of eerste grondkennis waarvan de landbouwkunde moet uitgaanPagina 12

JPEG (Deze pagina), 619.69 KB

TIFF (Deze pagina), 6.73 MB

PDF (Volledig document), 27.65 MB

I-’ " I ` "` ‘ ‘ `
I
I
I
I
I ll)
l
I In dit bij velen zoo hooggeroemde werk voorkomende raad-
I gevingen, om koeijen het best in melkgevenden staat te
I houden, zegt emmen: »Dat men de koeijen na het af-
I kalven terstond voor den bul moet geleiden zoodra zij de
I natuurdrift hebben of duinsch worden; want als men
I een-, twee- à driemaal heeft overgeslagen dan zal de
melkgeving daardoor verminderen en de koeijen in gevaar ·
I zijn niet weêr met kalf te worden/’
li Nu is door de ondervinding bekend en gebleken, dat
I v het wel gebeurt dat eene koe met twintig à vijfentwintig
I I dagen na het afkalven duinsoh wordt, docl1 dan is het
I altijd niet zeker, dat de teeldeelen genoegzaam gezuiverd
[ zijn, dewijl de tijd van zuivering de koeijen niet be-
stendig gelijk is, en daarom is men alsdan in het gevaar
dat de teeldeelen van den bul beschadigd worden, en dat I
I de koe niet alleen voor die keer niet met kalf wordt, I
I maar later ook niet weder in een bevruohten staat komt,
en alzoo is het voorzigtiger om zes weken na het af kalven
te wachten eer men de koe voor den bul geleidt; en zoo
I blijkt het, dat deze raadgeving van orunon onvoorzigtig
I is. Ook ten aanzien van de melkgeving leert de onder-
I vinding het tegenovergestelde: want zoolang eene koe
‘ niet met kalf is houdt zü beter aan met melkgeven, als I,
wanneer zij met kalf geworden is, en naarmate het kalf
I_ bij de moeder groloter wordt neemt de melkgeving af,
I hetwelk zeer natuurlijk is: want behalven het melkgeven
I moet zij dan ook de vrucht voeden; en het blijkt alzoo
· I dat dit onderwerp , tegen de ondervinding en natuurlijke
I redenen aanloopt.
Ten aanzien van de kenteekenen waardoor men debeste
melkgevende koeijen kan leeren kennen, wil ik liever
I toestaan, dan tegenspreken. Gsunon kan wel een zeer
E verstandig en opmerkzaam veekenner zijn. - Doch als
men van ieder soort der in dit boekwerk voorkomende
c
I
I
I