HomeLandbouw-vertegenwoordigingPagina 13

JPEG (Deze pagina), 820.30 KB

TIFF (Deze pagina), 7.02 MB

PDF (Volledig document), 24.93 MB

ll j
roepen, waardoo1· de landbouw zelf zich over zijn belangen had kunnen i
uitspreken, waardoor de landbouw zelf zijn wenschen en verlangens aan
y de Overheid had kunnen bekend maken. Nu toch moest de Regeering
` zeilen op het kompas van menschen, die wel heel knap heetten te zijn in 1
landbouwzaken, maar die toch feitelijk buiten den landbouw stonden.
Daarmede is intusschen niet gezegd, dat `de Regeering daar steeds
blind voor geweest is. Integendeel. Reeds in 1805 werd bepaald, dat ,
voor de verschillende departementen een commissie voor landbouw zou 1
worden ingesteld, welke commissiën eerst in 1851 werden opgeheven, ‘
toen onderscheidene landbouwmaatschappijen waren opgericht. ,
Ook koning Villem III toonde een warm hart te hebben voor den
landbouw, raadpleegde herhaaldelijk met verschillende land- en tui11bouw­
maatschappijen en zelfs werd eenmaal door den koning aan de ver- F
schillende besturen de vraag gesteld, wat door hem uit eigen middelen '
tot bevordering van den Vaderlandschen landbouw kon worden gedaan. Ook i
stelde Z. M. een particulieren secretaris aan, speciaal voor zaken van V
landbouw en nijverheid, terwijl onder zijn leiding en bescherniheerschap
een koninklijke landbouw-vereeniging werd gesticht, wier doel in hoofd-
zaak was de versnipperde krachten der verschillende maatschappijen te
vereenigen. Deze vereeniging heeft echter niet aan de grootsche Ver- '
wachtingen, die hare oprichting wekte, beantwoord. Zij is Ilil eenigen tijd ·
' ` bestaan te hebben te niet gegaan zonder eigenlijk ooit ontbonden te zijn. .
j, Steeds bleef echter het denkbeeld min of meer levendig, dat het noodig e11 P
· nuttig was dat samenwerking plaats had der verschillende vereenigingen, i
` ' om zoodoende een lichaam te verkrijgen, dat de regeering in landbouwzaken .
1 kon voorlichten en van advies dienen, totdat in 1886 een commissie
van onderzoek naar de landbouwtoestanden werd in het leve11 geroepen.
Tengevolge der bemoeiïngen dezer commissie kwam tot stand een i
wet tot voorkoming van bedrog in den boterhandel, werden nieuwe
proefstations opgericht, rijksdandbouwleeraren aangesteld en zuivelcon­
sulenten door de regeering gesubsidieerd. Voorzitter dezer commissie was
wijlen Mr. C. J. Sickesz en ondervoorzitter-rapporteur Mr. P. VV. A.
Cort van der Linden. Nadat nog onderscheidene maatregelen op aanbe-
veling dezer commissie waren genomen, 0.a. subsidiëering van landbouw-
4 vakseholen, wintercursussen, cu1·sussen voor hoefbeslag en f 40,000 op
de begroeting gebracht ter bevordering der paardenfokkerij, heette de i
arbeid dezer Commissie geëindigd te zijn.
Toen trad op den voorgrond een reeds voor 1886 in het leven geroe-
pen Ned. Landbouw-comité. Dit Comité meende nu zij11 arbeid te kunnen
en te moeten uitbreiden. Het kreeg een ofiiciëel stempel, ontving ee11
, subsidie van de Regeering en bepaalde dat elke vereeniging, die zich
v·,· met land- of tuinbouw bezig hield, zich bij het Ned. Landbouw-comité
jl;

. 1
1
l