HomeLandbouw-vertegenwoordigingPagina 12

JPEG (Deze pagina), 884.00 KB

TIFF (Deze pagina), 7.02 MB

PDF (Volledig document), 24.93 MB

lei
il 10
ll
j toe te juichen. Niemand zal toch tegen spreken, dat, gelijk er ook voor
den handel en voor de industrie ontwikkeling noodig is, kennis van de
waren, die in den handel komen en kennis van de grondstoffen, waarvan j
l. de artikelen gefabriceerd worden - ook de landbouw noodig had niet
f slechts algemeene ontwikkeling, maar ook bekendheid met de bestand-
deelen van den grond, die bebouwd wordt. Zoolang de granen hoog in
prijs waren, zoolang de meekrap loonend bleef, deed het gemis van die
Qi kennis zich minder gevoelen. De grond leverde genoeg op, meer zelfs dan
voor de dagelijksche behoefte van den landbouwer noodig was. Doch toen
. daarin een crisis kwam, werd het zaak om met juistheid te weten de
`, beste wijze, waarop de gronden naar den aard van hun bestanddeelen
' moesten worden bebouwd, ten einde zonder uitmergeling er zooveel uit te
F halen als mogelijk was.
. De Overheid, die er op bedacht was om gelegenheden van landbouw-
onderwüs te openen, verdiende alzoo lof. Toch werden deze bemoeiïngen
van de Overheid door de overgroote meerderheid der landbouwbevol-
king met weinig ingenomenheid, veeleer met zekeren afkeer gezien.
. VVaarom? De meeste boeren zagen in die bemoeiingen slechts de vruchten
van het streven der heeren van de landbouw-maatschappijen, die de theorie,
" altoos maar de theorie op den voorgrond stelden, en voor de praktijk veel
te weinig oog hadden. En naar het oordeel der landbouwers was de
* praktijk schier het een en het al. Het was theorie, niets als theorie, die l `
, de Rijkslandbouwschool te Wageningen leerde; aan de practijk werd ,
_j geen aandacht gewijd. En dit oordeel van de overgroote meerderheid der ·
landbouwersbevolking trof ook de landbouw-cursussen ende winterscholen. ' ë '
9* Daarin werd men van zelf versterkt, als nu en dan een landbouwer, ’
. die theoretisch was opgeleid en al de iinesses van de theorie kende, tegen
de praktijk niet bestand bleek en zijn affaire aan kant moest doen. En
het vertrouwen in de overheidsbemoeiïngen werd er niet op versterkt,
J als die bemoeiïngen zich ook uitstrekten tot paardenfokkerij en tot heng-
l sten­keuringen, vooral wanneer het bleek, dat hierbij dikwerf onpraktisch
ï_ te werk werd gegaan.
¢ Men kan dit betreuren; doch het wantrouwen was niet weg te nemen.
Zelfs moet erkend, dat het wantrouwen verklaarbaar was. Immers gaven
gg de eerste maatregelen der Regeering voor steun aan den landbouw, n.l. _;
i landbouw-onderwijs, aanleiding bij zeer velen om daarin opnieuw te zien
een blijk van minachting en geringsehatting van den boer, van den dom-
men boer, gelijk men het uitdrukte; - terwijl bovendien niet kan ont-
kend worden, dat deze en andere overheidsmaatregelen al te zeer het
kenmerk van het theoretische hadden en veel te weinig van het praktische.
Dit alles had kunnen voorkomen worden, indien de Regeering er op be- Q
dacht was geweest een landbouw-vertegenwoordiging in het leven te
z vl