Home1572, 1672, 1772Pagina 15

JPEG (Deze pagina), 488.51 KB

TIFF (Deze pagina), 6.63 MB

PDF (Volledig document), 19.83 MB

l
i
w
à
13 D
De sporen van 't vernielend loeijen
Der stormen, die zijn kruin gebukt,
Zijn telgen hebben afgerukt ,
Dat al zün hartebloed deed vloeijen!
Wel opende, aan des hemels dak ,
j _ Zich somtijds weer een blaauwend vak , _
l En mogt een wijl het noodweer zwijgen;
Wel look de ontsierde kruin in ’t koestrend licht weer op , g
l Maar biedt geen schaduwrijken top,
Geen voglenlied door tak en twijgen!.. j
En toch - daar ruischt een lieflijke aàm ,
i Die ’t suizen van zän dorre blaren
j Doet klinken als een toon van snaren!
«· Daar buigen zich de takken saam ,
l Als om een verschen krans te vlechten,
Dien, op uw wenk, mün zwakke hand
Hier weer aan ’t feestaltaar zou hechten,
Waarop , bij ’t jubel van uw Koor , de wierook brandt?
l Hier, waar zoo veel herinneringen
l Mijn geest bestormen , en wier kracht
in Mijn jeugd hervoortroept uit den nacht
Van ’t lang verleên , en als op ’t vorig feest doet zingen!
Maar, vlugtig die begoocheling !...
De storm , die om mijn schedel waarde,
Blies ook verwoestend in deez’ gaarde ,
En dunde d’eens zoo broeden kring
Van stammen , tot haar roem geschapen!
Ach, allen, rijk in kracht en bloei,