HomeHongersnood en hongerdoodPagina 20

JPEG (Deze pagina), 522.80 KB

TIFF (Deze pagina), 5.88 MB

PDF (Volledig document), 14.22 MB

1
2
3
l
i
l
is ]
geld meê en brood. Hij is al acht dagen uit om werk ;
te zoeken.
Vader komt binnen: een grove, stevige arbeider',
maar nu door honger en afmatting vermagerd en gebo­
gen. De kleêren vol sneeuw, de bedelzak op den rug,
de pelsmuts met een doek om het hoofd vastgebonden,
de lange stok met den ijzeren punt in de hand , -­ »`
zoo stapt hij de kamer binnen. De vrouw ziet hem
vragend aan. Hij schudt het hoofd en legt een kraai j
en een paar andere kleine vogels op tafel.
,,Ze zijn bevroren: kook ze maar."
Hoe zou dat? Hout is er niet, zout ook niet.
Leen het bij de buren.
Niemand heeft meer. De buren van hiervoor, zijn
eergisteren uitgegaan - om te bedelen. Buurman van
hiernaast is gister gestorven.
Het is hier even koud als buiten. Is de jongen niet
uit sprokkelen geweest? i
De sneeuw ligt te hoog; er is niet door te komen.
De laatste keer zijn den jongen zijne voeten bevroren. G
Allen zwijgen weêr. Eindelijk zegt de vrouw:
Vader gij gingt werk zoeken aan de spoor. Brengt H
gij geen geld rneê. I
In de stad stuurden zij mij naar het naaste station -
een lange marsch en dat met een leêge maag. Toen
ik daar kwam werd ik naar huis gestuurd. Er waren
geen kruiwagens. j
En waart gij niet aan het kanaal, vader?
Daar ben ik geweest. Hard werk , voor vijf stuivers
daggeld. Alles was zoo duur; ik voor mij alleen kon
er niet genoeg eten voor krijgen. Er kon niets van j
oversohieten. Ik ben toen maar weggegaan en heb I
loopen bedelen om thuis te komen.