HomeEene schipbreuk, de loods en de visscherPagina 35

JPEG (Deze pagina), 421.60 KB

TIFF (Deze pagina), 6.75 MB

PDF (Volledig document), 21.96 MB

`vv”­_Yr“L` W Y /7 Wm F ' """""_"`W "
E
27
O! Kon men maar de ruimte winnen.
Of joeg de storm, die vreeslijk groeit.
Hen hier of daar een schuilplaats binnen,
Waarvan het vuur hun tegengloeit; 1
Maar ’t prangend voortgaan wordt al trager ,
En, met een averechtsche kracht,
Trekt de uitgeslagen vlugt naar ’t lager,
Waar hun ’t verderf begeerig wacht.
Die dubble nood eischt dnbble zorgen,
En, met bcdaardheid en beleid,
Is menig zeil al reeds geborgen
Op d’ aandrang der voorzigtigheid.
De zee is henvelhoog gestegen,
En rolt de kiel weêrbarstig tegen,
Bedaardheid houdt het roer omkneld,
En tart het teisterend geweld.
Verbeelding! O poog niet te malen
Wat de afgewerkte mansehap wacht; j
Door ’t zwarte weefsel van den nacht,
Schiet slechts de hoop nog iiaauwe stralen,
Of, daar de hooge nood gebiedt, i
i Men redding zocht in sloep of booten, i
Of ’t riehtond roer is afgestooten . . . ii
i Wij gissen, maar wij weten ’t niet; ' i
Maar dat zieh, na versehrik’li_jk’ uren. j
j Dat men een worstliug moest wi<lur<·n­
7

{T
Kxgvè )_,,i·~ .,___fr` , __ in f Y Y N/Y f H f W Y 41 ii