HomeEene schipbreuk, de loods en de visscherPagina 25

JPEG (Deze pagina), 419.02 KB

TIFF (Deze pagina), 6.76 MB

PDF (Volledig document), 21.96 MB

l
l
. 17 T
· l
l
I Zijt met een rijken schat bevraeht: l
" Met jeugd en vreugd, met hoop en liefde;
Nu tart gij rustig wel en wee: lj
H E " Gij neemt de rijkste schatten mêe!
O! als gebeden iets vermogen,
Dan treft de vlijt haar kostlijk wit:
Hoe menigeen ligt neêrgebogen, !
Hoe meenigeen die hoopt en ­­- bidt!

Veel kind’ren knielen smeekend neder,
En ’t hartverbeifend: ,,’k Zie u weder!" ‘
Sehenkt licht in ’t donker van ’t gemis. j
Gij houdt het heil van Echtgenooten,
e
Als in een heiligdom besloten ....
Ziedaar wat n n uw lijfwaeht is.
()! Wie het roekeloos mogt heeten j
Te wagen wat hier dient gewaagd, lj
Heeft in zijn eigenwaan vergeten,
Hem die steeds doet wat Hem behaagl.;
Wiens wijsheid elken tred moet rigten,
j Wiens ahnagt ook de zee gebiedt,
Die ons door starren voor wil lichten, j
ä Als ’t oog geen ander licht meer ziet.
Q Het boeijend anker wordt geheven, !
H Het snuivend trekdier, dat door stoom !
Bezield wordt, spant men voor den steven,
Het woelt en trappelt in den stroom. j
t
ä
ä
’ à
v l_ , M, <