HomeEene schipbreuk, de loods en de visscherPagina 13

JPEG (Deze pagina), 429.27 KB

TIFF (Deze pagina), 6.73 MB

PDF (Volledig document), 21.96 MB

i
5
(iedekt door bogen van azuur,
Bestraald door levenkweekend vuur,
ls slechts een groot verblijf des doods.
Hij huist er in en loert op buit,
K)
r Eu als ’t gebrul des storms hem wekt,
Dan steekt hij, gretig uitgestrekt
Zijne armen tot vernielen uit.
De zee, nu nog zoo kalm eu stil,
Wordt dan zijn strijdgenoot weldra,
En wie haar woede ontvlugten wil,
Zendt zij een stouten golfslag na;
Zij brult, niet denderend geluid,
En beukt verdervend op het strand,
i En jookt naar ’t haar ontuoekcrd land,
lin schuift de duinen aeiteruit.
Toch durft de mensch haar woede tarien,
Een vaste wil en wakkre moed,
Slaan stalen pantsers om de harten,
En storten vuur in `t koudste bloed.
Hoe hoog °t geweld den nood doet steig`ren,
Hij kent zijn vijand, meet zijn krueht, i
En ’t wapen dat natuur inogt weigfreu,
Wordt door de kunst hem aangebragt. i
Hij kent de zee en al haar listen,
Jin lcanrpt op leven en op dood;
Waar zij haar rijkagebied vergroot, t
1
i
I
l
<
l
« W