HomeDe beroepskeuze van de leerlingen bij het vakonderwijsPagina 13

JPEG (Deze pagina), 780.64 KB

TIFF (Deze pagina), 7.68 MB

PDF (Volledig document), 21.34 MB

' ` i i
· I ll
j Ik hoop, dat het mij gelukt is, U duidelijk te maken, waarom
naar mijn meening het zwaartepunt bij rationeele beroepskeuze eener-
j zijds gelegen is in den lichamelijken en geestelijken aanleg van onze
f jongens en meisjes, anderzijds in den aard van den arbeid.
Men heeft het psychologisch onderzoek reeds te baat genomen,
j om door selectie van de meest geschikte arbeiders en door het uit-
j vinden van de beste werkwijze de productiviteit in het bedrijf te
j verhoogen en dit onderzoek aldus aan het belang van den werkgever
dienstbaar gemaakt. Q
Evenzeer eischt het belang ook van den arbeider, dat alles in
. het werk gesteld wordt, om hem de plaats te wijzen, waar zijn
A prestatievermogen het meest tot zijn recht komt.
in het begin van mijn voordracht heb ik de sociaal-oeconomische
, motieven bij de beroepskeuze genoemd, als zijnde die van de 2e orde.
j lk heb daarmee niet willen zeggen, dat deze zijde van het vraagstuk
niet eveneens met de noodige zorg behartigd moeten worden. Het
j zou al zeer naïef zijn, te meenen, dat het er minder op aan kwam,
j hoe de vooruitzichten zijn uit een materieel oogpunt, of gelegenheid
j bestaat tot verdere ontwikkeling, of en welke kans er is op promotie
j en eventueel op zelfstandigheid, hoe, ook in verband metden arbeids-
duur, de leefwijze zal zijn, of er ruime vraag op de arbeidsmarkt is,
j in welke mate periodieke werkeloosheid voorkomt en welke toekomst
t · het beroep heeft, vragen, die voor den werkzoekende van groot
j gewicht zijn.
ln beroepen, waarin men het met ongeschoolde arbeiders kan
doen, zijn deze overwegingen zelfs als de beslissende te beschouwen.
Nauwkeurige gegevens hierover te verzamelen en ruime gelegen-
heid voor betrouwbare inlichtingen over al deze punten te verschaffen,
is ontegenzeggelijk een dankbaar, maatschappelijk werk.
j ik ben mij volkomen bewust, hooge eischen te stellen aan de
j voorlichting bij de B. K. en ik hoor reeds twee tegenwerpingen: de
` eene ,,dat het psychologisch onderzoek nog niet zoover is, om be-
trouwbaar te zijn, de tweede, dat een, dergelijke breede opvatting
_ ·• een onbegonnen werk is".
. De eerste bedenking wil mij voorkomen, het gevolg te zijn van
j onvoldoend inzicht, wat nu eigenlijk het psychologisch onderzoek
r omvat.
ja, wanneer men zich voorstelt, dat uit de resultaten van enkele

i
t
x
Z
r l
. ,1