HomeDuitschlands groei en het Pruisische overwichtPagina 8

JPEG (Deze pagina), 903.20 KB

TIFF (Deze pagina), 6.93 MB

PDF (Volledig document), 84.27 MB

6
Het jonge Rijk bezat een éénvormig handels- en wisselrecht, E
verkreeg in 1871 een éénvormig strafrecht, maar leed tot aan
het jaar 1900 onder eene bonte hoeveelheid van Burgerlijke {
Wetboeken. Men telde tot 1899 niet minder dan zes verschil- ,
lende rechtsgebieden met een ontelbaar aantal verschillende wet- ll
boeken, bovendien gold in tal van staatjes het Romeinsche recht nog
als subsidiair recht. Voor het huwelijksgoederenrecht bestonden
niet minder dan honderd-en-twintig locale wetgevingen, in ééne
stad, ja zelfs in één huis kon verschillend recht gelden. Sedert `
in 1900 het nieuwe Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd, kan L
men nóg niet van éénzelfde recht in het Duitsche Rijk spreken. L
Er zijn ruim negentig rechtsmateriën van dit wetboek uitge- i
zonderd, welke door Landsrecht, niet door Rijksrecht geregeld `
worden, ondanks dat het Rijkswetboek reeds 2285 paragraphen 4
telt, dus méér dan het volledige Oostenrijksche, Fransche of i
Nederlandsche B. W.
Naast eene categorie, waar de regeling door de verscheiden-
heid van zeden en gebruiken te moeilijk was: b.v. de regaliën,
het jachtrecht, waterrecht, grondrecht, hypotheekrecht, beamb-
tenrecht enz. enz., staat eene tweede categorie, welke het gel-
dende familie- en erfrecht voor den adel opheft. Voor hen
hebben slechts hunne huisrechten, instituten van honderden jaren _;
her, autonoom herzien of aangevuld, rechtskracht. Daarmede l
verbonden, zijn ook de groote landgoederen aan bijzondere huis-
of landsrechten onderworpen: zoo de Hdeicommisgoederen, de
z. g. rentegoederen, leen- en stamgoederen, de dwang- en ban- i
rechten. Ook de religieuse orden en hunne vermogensrechten S
worden door landsrecht beheerscht. {
Op deze wijze is het mogelijk geweest, dat er tot op heden
eene bonte verscheidenheid van familie-, pacht- en dienstver- i
houdingen is blijven bestaan, evenzoovele curiositeiten voor den j
jurist en den econoom, naast welken overvloed het opgeheven
Nederlandsche tiendrecht of het Groninger beklemrecht door
hunne nietige dimensies niet zouden opvallen. Vele, zoo niet 3
de meeste dezer rechten zijn van feodalen aard; in een gezond ‘
democratisch land zou hun geen lang leven beschoren zijn. Over
het algemeen zijn deze uitzonderingsrechten onveranderd ge- ?
bleven, en stuiten de voorstellen tot opheffing op den allerhard- _
nekkigsten tegenstand. Op dit gebied is de Duitsche eenheid
nog steeds niet voltooid.
Eenheid werd bereikt door de instelling van de Duitsche Rijks-