HomeDuitschlands groei en het Pruisische overwichtPagina 34

JPEG (Deze pagina), 909.34 KB

TIFF (Deze pagina), 7.25 MB

PDF (Volledig document), 84.27 MB

. _ _ _ _ __ __¢__ ·',_______ ____ v , " _ _ _, __ ,. .. __ ,,. ..,,...., ,v .,. ­«,-... Y.r..·ï" ï..«a.___, _
`
32
‘ . . . Dàn ging het over het Russische _graan, of het Arnerikaansche _
katoen, dàn over de Belgische ertsen of de Fransche voort~
brengselen. En per slot kon men als samenvatting den slotregel
lezen: men zou wel niet met alle landen tegelijk oorlog krijgen,
, desniettegenstaande moesten eenige dringende maatregelen ge­
nomen worden, maatregelen die dan ook menigmaal genomen
T fzijn, als voorzorg voor den eventueelen krijg.
Vooral ten tijde van en nà de Marokko~onderhandelingen,
j toen de teleurstelling over het verloren terrein menige brochure
en economische studie het licht deed zien, werd dit steeds sterker
. op den voorgrond gesteld. Amerika's katoenvoorraad zou wel
‘ eens trager uitgevoerd kunnen worden, voor koper was men
F al veel te veel afhankelijk van het buitenland, de ijzermijnen
in Duitschland zelf zouden misschien nog een veertig à zestig ~
. jaren lang ijzer kunnen voortbrengen, maar wat dàn? De slot~
{ som was steeds: met moest niet importeeren uit andere landen,
? maar de landen waar die grondstoffen voorkwamen zelf in eigen~
l_ dom hebben. j
? Men moest ze bezitten, om dan de producten onder be~ r
I scherming van de vloot naar het moederland te brengen. Hier _
E stoot men op een zéér curieuse plooi in het Duitsche denken, M
l een plooi die in sommige kringen al heel diep gevouwen is, en ‘
l in het geschrijf der Alduitschers het duidelijkste aan het licht l
l komt. ln de publicaties van die door~dik-en-dun (duitsch­)Germanen
j komen de schrijvers soms tot de meest verbijsterende slotsommen, ij
j verbijsterend tenminste voor de tegenwoordige bezitters van die be~
j geerlijkheden: de Galicische mijnen worden daar evenmin als de
Rotterdamsche havens van diepgaande belangstelling verschoond. E
Er woelt een voortdurende tegenspraak in hunne redeneering. ë
l Vraagt men hen op den man af of zij werkelijk Galicië en Neder~ _
[ land zouden willen bezitten, dan komt na een weifelend neen, l
j toch de tegenwerping dat het onnatuurlijk is, dat mijnen, die l
. zij voor hunne industrie noodig hebben en die zoo vlak bij liggen, -
» niet onder hun beheer zouden staan, of dat de benedenloop
, van den Rijn niet aan hen zou toebehooren, d.w.z., de handel ,·
j die er op gedreven wordt. Men kan in talrijke uitlatingen een [
i naïve uiting van hebzucht vinden; ,,waarom zou dit alles niet
hun beh0oren?'° en daarnaast ook een naïef, maar door de j
j feiten ondersteund geloof, dat zij ware meesters in het linan~ i
` cieren van ondernemingen zijn, en dat onder hun beheer eene j
j vertiendubbeling van omzet en intrest te verwachten zoude j
I
le ·
l i
” l