HomeDuitschlands groei en het Pruisische overwichtPagina 16

JPEG (Deze pagina), 856.31 KB

TIFF (Deze pagina), 6.84 MB

PDF (Volledig document), 84.27 MB

1-
14
kunnen regeeren, heeft bij monde van von Bethmann~Hollweg {
nog in het vorig jaar (1914) laten verklaren, dat niets haar zou af~ g
j brengen van hare agrarische politiek. Ten slotte zijn der Regee~
l ring nog op andere wijze de handen gebonden. Worden de
{ invoerrechten afgeschaft, dan zou haar geheele Hnantieele politiek
in duigen vallen; vóór eene algeheele reorganisatie zou daaraan j
l niet te denken zijn. De rijksinkomsten zitten gekoppeld aan de p,j‘ {
· beschermende rechten, en valt het ééne, dan vallen ze samen. »
1 Quelle débäclel
Q Het is dus niet de Duitsche landbouw en vooral niet het
ll; grootgrondbezit, dat het Rijk tot macht en kracht gebracht heeft,
l` beide behooren tot de sociaal en politiek reactionaire, ongezonde g
elementen in het Duitsche leven. Het was oerduitsch, dat land~ if
­ bouwbedrijf, maar het is overvleugeld.
1 Duitschland is van een landbouwstaat een nijverheids~staat
i geworden. Alles wat Duitschland sedert 1870 bereikt heeft en is
‘ op het oogenblik bezit is daaraan te danken! Met verbazing~
wekkende wilskracht heeft het land er zich op toegelegd rijk te ‘;
worden, en het is rijk geworden. Het heeft zijn spoorwegnet
F uitgebreid, zijn mijnen op groote schaal ontgonnen en geëx­ _
;Q ploiteerd; talrijke maatschappijen op aandeelen gesticht, die het i
J fabriekswezen tot groote hoogte gebracht hebben; de handel 4»
. ontwikkelde zich met reuzenschreden, het werd in korten tijd
een exporteerend land, dat op een krachtig groeiende handels~
vloot zijn waren naar alle deelen van de wereld zond, zijn
, grondstoffen overal vandaan haalde. Q
Wanneer men de laatste dertig levensjaren van het jonge rijk
5 in samenhang beschouwt, dan treft die plotselinge ontwikkeling "Ql
l op het materieel gebied als eene geweldige uitstorting van phy~
* sieke kracht, van een heftig uitbarstende levensdrang, als ware
j het geheele land door een tropische zon ineens tot die felle Ff
{ ontplooiing geprikkeld.
1 De bevolking steeg van 1830 tot 1870 maar van 30 tot 40 ïgj
millioen inwoners. Het daarop volgend ruim veertigjarig tijdperk jï
1 bracht het van 40 tot bij de 70 millioen. En deze ontzaglijke
volksvermeerdering beteekende een even groote aanwas van
l energie en ondernemingslust.
Deze massa moest gevoed, gekleed, gehuisvest worden, er ;g_
moest inkomen geschapen worden. Maar rijkdomvermeerdering 2] l
l beteekent in eersten aanleg het scheppen of hervormen van `