HomeDe hooge regeering en het Gemeentebestuur van Amsterdam inzake het Noord-ZeekanaalPagina 8

JPEG (Deze pagina), 686.58 KB

TIFF (Deze pagina), 6.44 MB

PDF (Volledig document), 19.28 MB

l
6
Eene Staatscommissie, onder den vorigen Minister
van Binnenlandsche Zaken bij Koninklijk besluit van
8 Februarij 1873 benoemd, meende te moeten aanraden .
verdieping van het Kanaal tot m. 8.20 ~ AP.
Bij zijn besluit van 2 December ll. verlangt het
Gemeentebestuur va11 Amsterdam een Kanaal van dezelfde
diepte bij eene bodemsbreedte van 38 meters en binnen-
havenkommen of dokken vóór en achter de Noordzee-
sluizen van 4 hektaren oppervlakte.
Dit laatste Kanaal zou zeker het beste wezen, verkieslijk
boven dat der Staatscommissie van 1873, nog meer boven
dat in uitvoering, en allermeest boven dat der Gemeente
van 1853. Had men dus te kiezen, en slechts een Kanaal
naar zijn hart te bestellen, het besluit zou ligt vallen.
Nu dat evenwel het geval niet is, dient men geenszins
te blijven stilstaan bij de vraag, wat het beste, het
mooiste is, maar te onderzoeken wat te krügen en vol-
doende is, en kenmerkt het geen wijs beleid dit laatste
te verwerpen, omdat men het eerste niet erlangen kan,
of wel, door te blijven dwingen om een volmaakt Kanaal, .
dat buiten bereik ligt, onmogelük te maken een goed t
Kanaal, dat bijna gereed is.
i Toch gaa11 wij dien weg op. Het Gemeentebestuur
ii schünt den weg te zijn ingeslagen, hem den 4°“ November
door een der Wetlioiiders gewezen, die den bezadigden
raad gaf hoog spel te spelen en alles op één worp te
stellen. Dat alle leden van den Raad zich daarvan naar
eisch bewust zijn, betwijfel ik; en de burgerij, die nu
, jaren lang de Kanaalmaatschappij aan alle tegenspoeden
en alle aanvallen der oppositie met goeden uitslag het
hoofd zag bieden, en het werk steeds een vasten regel-
. matigen gang zag gaan, begon zich allengs te verbeelden
, dat wel alle, ook de grootste hinderpalen te boven
l komen zal. Die meening, hoe vleijend ook, kan vermoe-
l