HomeDe hooge regeering en het Gemeentebestuur van Amsterdam inzake het Noord-ZeekanaalPagina 25

JPEG (Deze pagina), 655.80 KB

TIFF (Deze pagina), 6.45 MB

PDF (Volledig document), 19.28 MB

23
dam, de eerste belanghebbende in deze, zoo weinig prüs
meer op haar nieuwen waterweg stelt, dat het zegt;
>>alles of niets; liever de vroeger toegezegde 3 millioen
>>behouden en geen, dan tegen afgifte van dit geld het
>>vroeger in overleg met ontworpen niet volmaakte
>>Kanaal!", op hare beurt in dat kanaal zal ophouden
een werk van algemeen nut te zien, en geld voor de ver-
, sterking van de hoofden weigeren zal, waarmede dan wel
A eens voor goed over het lot der geheele zaak beslist zijn kon.
Zonder de versterking toch zijn de havenhoofden tegen
de zee niet bestand, en is voortzetting van den aanleg,
reeds volgens het gevoelen der Staatscommissie van 1873,
zoogenaamd monnikenwerk. En geenszins is het te ver-
wachten dat de Regering de Maatschappij, hare schulde-
nares, zal kunnen of willen dwingen zich uit te putten,
door nutteloos daarin de opbrengst der drooggemaakte
gronden te verwerken.
Kan het Gemeentebestuur den havenaanleg gemakkelijk
doen staken, de wederopvatting er va11 heeft het niet
{ evenzeer in handen. Zelfs wanneer het later de nu inge-
`? trokken bijdrage en bovendien eenige millioenen tot dek-
· king van de schade, inmiddels door de stormvloeden aan
r de onverdedigde en verlaten havenhoofden toegebragt,
' mogt aanbieden, zou het te bezien staan of niet de
wetgevende magt, dan misschien de meening toegedaan
dat Nederland het met Rotterdam en Vlissingen wel af
W kan, zou weigeren nog eens voor Amsterdam de schatkist
W te ontsluiten. En zoodanige weigering kon onder onze
landgenooten wel eens genoeg voorstanders vinden!
E Het zou dwaas zgn omtrent hunne sijmpathie zich
illusien te maken: de overdreven voorstelling, welke velen
r zich maken van de fabelachtige rijkdommen der Amster-
dammers, zou hun ligt de redenering ingeven, dat wij,
j na in 1875 de11 Staat te hebben gedwongen de hand van
1
a