HomeDe hooge regeering en het Gemeentebestuur van Amsterdam inzake het Noord-ZeekanaalPagina 15

JPEG (Deze pagina), 695.55 KB

TIFF (Deze pagina), 6.43 MB

PDF (Volledig document), 19.28 MB

13
stadsvvater en kanaalvvater plaats hebben moet. Juist
omdat het Gemeentebestuur -- ik geloof teregt -­­ die
afscheiding niet wil, verkoos het een peil van m. 0.30
boven dat van m. 0.20 -- AP (zie de meer aangehaalde
missive aan Gedeputeerde Staten, Gemeenteblad van
1874, afdeeling I, bladz. 80); maar nu kon het ook niet,
om de van den Staat geëischte vergoeding op te drijven,
. bij eerstgemelde verhooging in rekening brengen eene
schutsluis, welke alleen bij laatstgemelde verhooging noodig
wordt.
Dat dus de geheele eisch en voorstelling, vervat in
den brief van Februari] ll., ongegrond vvaren, is ­- meen
ik - nu uit de schrifturen genoeg gebleken; maar
daaruit blijkt nog meer, t.vv. dat de peilverhooging voor
Amsterdam eene belangrijke besparing medebragt. In
de aangehaalde voordragt van 26 Januarij, bekrachtigd
bij Raadsbeslnit van 14 Februarij 1872, waren nog onder
de letters a, b, c, cl en e verscheidene werken opgenomen,
welke bovendien vereischt waren, tenzij de Stad >>met de
>> Amsterdamsche Kanaalmaatschappij eene overeenkomst
· >>kon treffen om onder alle omtandigheden water uit het
>>kanaal in de Stad te laten tot verversching der grachten."
Dat niets anders dan peilverhooging op het kanaal hier-
mede bedoeld werd, is af te leiden uit een rapport van
den Stads­Ingenieur van November 1872 (Gemeenteblad
van 1872, afdeeling I, bladz. 1078),vvaarin wordt betoogd
dat ten behoeve van waterinlating van het kanaal in de
stad het kanaal in den zomer, zoo noodig door oppomping
te Schellingwoude, tot m. 0.25 - AP moest worden
opgezet. de bestaande concessie, welke een peil van
m. 0.50 - AP voorscheef, was de Maatschappij tot
zoodanige opzetting ongehouden en onbevoegd; maar, werd
overeenkomstig de onderstelling van het Gemeentebestuur
in Februarij ll. met wijziging van de concessie het peil