HomeDe hooge regeering en het Gemeentebestuur van Amsterdam inzake het Noord-ZeekanaalPagina 12

JPEG (Deze pagina), 707.43 KB

TIFF (Deze pagina), 6.48 MB

PDF (Volledig document), 19.28 MB

10
Het zou tevens bewijzen dat de raming serieus was;
en -- kwam deze goed uit - het Gemeentebestuur zou
niet alleen in het belang zijner waardigheid gehandeld, maar
ook zonder eenige opoïering jegens Stad en Land zich ver-
dienstelijk gemaakt hebben. Zoolang echter het Gemeente-
bestuur dit middel niet te baat neemt om zijner berekening
kracht bij te zetten, verge het niet dat daaraan gezag worde
toegekend boven de gespecificeerde raming der Ministers.
Daarmede wil ik niet geacht worden te beweren, dat
die laatste raming juist de som aangeeft, waarop al die
vorderingen van Amsterdam zouden te staan komen: de
Regering trouwens beweert dat ook niet, daar zij zelve
herhaaldelijk te kennen geeft, dat de in de raming ad
5 millioen opgenomen eischen der waterschappen wegens
vergoeding bij peilverhooging zeer opgedreven zijn.
Het spreekt intussehen van zelf dat die waterschappen,
zoodra de Staat jegens Amsterdam zich verbond tot peils-
verhooging, moeijelijk van hunne overdreven eischen af
te brengen zijn zouden, en dat dan de Regering, die
zeker hunne toestemming niet behoeft, maar ook ongaarne
ten genoegen van den een den ander den mond tot *
klagen opent, wel genoodzaakt zijn zou veel toe te geven,
j en daarop bij hare raming van de som, welke voldoening
l aan de Amsterdamsche vorderivvgevz haar kosten kan, ¢
rekenen moest.
WVeten daarentegen de WVaterschapsbesturen dat de
Regering vrij is om al of niet het peil te verhoogen, zoo
zullen zij hunne vroegere hoog opgevoerde eischen heel
i wat afslaan, en altans gedeeltelijk het voorbeeld volgen
van Amsterdam, dat in Februarij 1874, toen uit de
vraag des Ministers, of tegen peilverhooging bezwaar
A bestond, kon worden afgeleid dat die verhooging eene
i büna besliste zaak was, eene vergoeding van f 630,000.-
eischte, maar nadat de vorige Minister dientengevolge
l
‘ k