HomeHet keerpunt van BrabantPagina 35

JPEG (Deze pagina), 930.53 KB

TIFF (Deze pagina), 7.82 MB

PDF (Volledig document), 37.51 MB

33
van een quote, was hun natuurlijk in Den Haag niet verborgen
gebleven. Trouwens reeds op 14 januari was een resolutie van
Overijssel ingekomen, die zeer in den breede het onaanneemlijk
had uitgesproken, en betoogd had, dat ook Overijssel wel op
denzelfden voet wilde behandeld worden als Brabant: het had
immers zeker zooveel van den oorlog geleden. Daarenboven was
de grond daar veel vruchtbaarder dan in Overijssel, terwijl de
,,Fabricquen en Traficquen" daar zeer toenamen, ,, waarvan in-
zonderheid de stad Leyden getuigenis zou kunnen dragen," zoo
`r zegt de resolutie verder, ,, welke bekendelijk haar weleer bloeijende
i Laken-Fabricquen ten eenenmaal ziet vervallen, terwijl die van
, Braband van dag tot dag meer toeneemen." Wanneer die regeling
ë aan Brabant werd toegestaan, zou het zijn verdere middelen ge-
bruiken ,, om zijne thans reeds zoo matige belastingen nog verder
te verminderen." Deze laatste bewering komt in de volgende
Q onderhandelingen in het geheel niet meer terug: blijkbaar durfde
j geen enkel gewest dergelijke met de werkelijkheid kwalijk over-
X; eenstemmende bewering voor zijn rekening nemen.
De Brabantsche Afgevaardigden hadden zich derhalve reeds
een volmacht doen geven om zoo noodig over een quote te kun-
nen onderhandelen. Reeds op 5 Februari was hun die verstrekt
en bevatte de volgende punten: 1° toestemming in het voorstel
om f.Q50.000 per jaar te betalen, drie jaar lang, mits verder
geen betaling zal gevraagd worden in de fransche 50 miljoen of
in andere gewone of buitengewone lasten; 2° indien de pogingen
om tot een vaste som te komen niet slaagden, dan voorstel van
een quote van 2°/0; 3° werd dit afgeslagen, dan kon men de
quote verhoogen tot 2 gulden 17 stuivers en eenige penningen,
dat is dus bijna 2.90/0, bij welke berekening men de provincie
Utrecht in vergelijking trok, die een onzuivere belastingopbrengst
had van ruim f. 1.800.000, terwijl die van Brabant op 2/3 daarvan,
/ nl. f. 1.200.000 begroot was. Volgens de laatste quoten­verdeeling,
nl. in 1792, betaalde Utrecht 4'/20/0 32), hetgeen volgens den regel
van drieën voor Brabant zou neerkomen op 3°/0. Wanneer het
aantal inwoners als maatstaf zou zijn genomen, dan zou Brabant
met 210.723 zielen tegenover Utrecht met 92.904 zielen 33), ruim
2*/4 maal het percentage van Utrecht hebben moeten betalen,
d. i. .10*/8°/0. Het maximum, dat de Gedeputeerden van Brabant
in laatste instantie mochten aanbieden, was echter 3°/0, de quote,
waaraan ook later in het nieuw plan van constitutie werd vast-
l