HomeHet keerpunt van BrabantPagina 29

JPEG (Deze pagina), 925.69 KB

TIFF (Deze pagina), 7.86 MB

PDF (Volledig document), 37.51 MB

27
niet in zijn geheel zou kunnen worden geïnd. Brabant was echter
bereid voor drie jaar dat bedrag aan te nemen. De Gedeputeer-
.den der Staten-Generaal bepaalden ten laatste hun eisch op
. 1 miljoen; aanvankelijk was dus nog meer gevraagd geweest. Ten
slotte accepteerden zij de aangeboden som van f. 950.000, doch
wat zij met de eene hand gaven, namen zij met de andere bijna vier-
voudig terug, immers zij voegden er nog een paar aanvullingen bij,
die het bedrag weer ver over het miljoen brachten, nl. de reeds ver-
‘ melde predikantentractementen enz., of in plaats daarvan f. 150.000,
benevens f. 20.000 voor het kantoor der beden. Erg toeschietelijk
was men dus geenszins ten opzichte van Brabant. Dat Brabant de
overeenkomst van zijn gecommitteerden, hoe bezwaarlijk die dan
ook was, heeft goedgekeurd, vindt zijn verklaring hierin, dat het
gewest vóór alles zijn achterstelling wilde afschudden, zelfs al
moest het eenige jaren daarvoor de bevolking blijven belasten in
dezelfde mate als de vroegere meesters dat gedaan hadden.
De Staten-Generaal echter toonden zich nog niet zoo gemak-
kelijk bereid om het voorstel der Commissie aan te nemen, even-
min als om de afgevaardigden van Brabant tot hunne vergadering
toe te laten. ,
De nieuwe regeering van Bataafsch Brabant had, in de ver-
onderstelling, dat krachtens de vroeger gemaakte overeenkomst i
haar Gedeputeerden ipso facto op 1 januari 1796 zitting zouden j
krijgen in de Staten-Generaal, op 10 januari tot ordinaris gede­ i
puteerde aangewezen j. F. R. van Hootf en tot extra­ordinaris
gedeputeerden W. Hubert jr. en j. Verhees. Maar toen de eerst- l
genoemde zich op 15 januari daartoe in Den Haag bij den presi­ r
dent aanmeldde, vond deze de deur nog gesloten en de Staten
wilden die voorloopig nog niet voor hem openen, eerstens omdat
het plan tot het bijeenroepen eener Nationale Vergadering vóór
( 31 December was vastgesteld, terwijl in de overeenkomst was j
"` vastgelegd, dat voor het geval vóór dien datum dergelijk plan i
niet zou zijn gedecideerd of de Conventie onverrichterzake zou i
zijn uiteengegaan, dat in dat geval Brabant onmiddellijk zou i
worden toegelaten. En daarnaast was het tweede bezwaar, dat de
regeling der quote nog niet was tot stand gekomen. De eerste
exceptie was niet meer dan een spitsvondigheid, waartegen ook de
Gedeputeerden van Holland in de vergadering van 18 januari ten
sterkste opkwamen, omdat, zoo zeiden zij, wanneer men de be-
doeling der overeenkomst nagaat, ,, het geen twijfel lijd, of de 1