HomeHet keerpunt van BrabantPagina 22

JPEG (Deze pagina), 961.36 KB

TIFF (Deze pagina), 7.83 MB

PDF (Volledig document), 37.51 MB

_ 20
eene belasting, genaamd de houtschat, die in de Meierij werd ge-
l heven. ,, De Houtschat", aldus van Heurn 24), ,,is een last, die de
j Hertogen ten behoeven hunner domeinen vorderden. Zij bestaat
j uit het zesde hout, of den zesden penning van al het hout, dat er
l in de Meijerije gekapt werd." Het zou een afzonderlijke studie
. vorderen om al de bezwaren, die deze belasting heeft opgeleverd,
l uit een te zetten. Hier zij het voldoende er op te wijzen, dat vooral
,f in de eerste helft der l8d° eeuw zeer gerechtvaardigde klachten
[ rezen tegen de pachters dezer belasting, die zelfs rechten deden g·
l gelden op het snoeisel der boomen en het uit te planten pootsel.
r Wanneer men den aanhef leest der publicatie, waarin de 5
j Representanten van Bataafsch Brabant de afschaffing dezer be- j
lï lasting aan de bevolking mededeelen, zou men den indruk krijgen,
dat wel een zeer buitengewone gunst verkregen was. Immers j
daar schrijven zij: ,,Dat wij, uit plichtbesef naauwkeurig onder-
zoekende, ,welke lasten onze medeburgers het meeste drukken,
dezelven, zo veel mogelijk en zo verre het Tusschenbestuur toe-
liet, van het onereuse, haatelijke en vexatoire moesten ontheffen, i
l gevonden hebben een der drukkendste te zijn, de zogenaamde l
__ Houtschat, waarom wij aanhoudende poogingen in het werk heb- j
ben gesteld, om dit middel van de Generaliteits Inkomsten, de
‘ Houtsc/zat naamelijk over de Meyerye van ’s Bosch, te vernietigen, ï
J en hebben als nu zo veel te weeg gebragt, dat Hun Hoog Mog. jj
¥ van de inkomsten dezer haatelijke impositie hebben afgezien."
Bij nader onderzoek blijkt intusschen, dat de zaak van heel
·’ wat bescheidener afmetingen was dan de opgeschroefde inleiding
van de publicatie zou doen gelooven. Wanneer men daarnaast
legt de resolutie van Hunne Hoog Mogende, dan leest men daarin,
dat de Hoog Mog. overwogen, dat deze belasting, naast haar
j hatelijk en bezwarend karakter, ook nog dit tegen had, dat de
" opbrengst zoo gering was, dat de kosten van inning er ternauwer­ lj
nood door zouden worden goedgemaakt. De belasting zou daaren­ ‘
boven nog slechts over twee maanden kunnen worden geheven,
`i omdat men toen nog van meening was, dat op 1 januari 1796
de nieuwe regeling met Brabant zou zijn tot stand gekomen, en
Fr zoo zou, berekend naar een jaaropbrengst van f. 4000, op zijn
best nog slechts een goede f. 650 te verwachten zijn.
De Representanten van Brabant hadden dus om de zaak zelf
niet zoo vervaarlijk op de groote trom behoeven te slaan, toen
zij de afschaffing van die belasting afkondigden. Wij kunnen het
lä-