HomeNieuwjaarsfeest en koningsdag in Babylon en in IsraëlPagina 17

JPEG (Deze pagina), 767.17 KB

TIFF (Deze pagina), 7.63 MB

PDF (Volledig document), 29.92 MB

l .
1
j 15
i elis" moet. op deze wnze door den hoogepriester voor het
standbeeld van Marduk in het binnenste heiligdom worden
, gereciteerd. Het ritueel van den vijfden dag doet - hierop
heeft ZIMMERN het eerst gewezen 1) ­- rechtstreeks denken
aan den joodschen Verzoendag: alleen met dit verschil,
, dat in het Babylonisch ritueel slechts van één zondebok
sprake is, die de rol der beide bokken op den lsraëlietischen
Verzoendag moet vervullen: hier maakt het lsraëlietische
ritueel den indruk van grootere oorspronkelijkheid. Op
` denzelfden dag moet ook de koning zich verootmoedigen
in en zijn waardigheid in een zinnebeeldige handeling neer-
leggen. De hoogepriester ontdoet hem van schepter en
. _i* kroon en van de overige symbolen dezer waardigheid en
jl legt die neer voor het beeld van god Bêl-Marduk. Daarna
geeft hü den koning een oorveeg (als de koning hierbij
tranen stort is dit een gunstig voorteeken), hij trekt hem
aan de ooren, laat hem knielen en een boetgebed uitspreken,
waarbij de koning zijn onschuld moet verzekeren. Hierop
volgt de godsspraak aan den koning: niet te vreezen, daar
. Bêl tot hem spreekt, Bêl zal zijn gebed verhooren en zijn
koningschap verhoogen; Bel zal hem zegenen eeuwig en
4 altoos, zün vijanden vernietigen, zijn tegenstanders neerslaanl
Daarop ontvangt de koning de teekens van zijn waardig-
‘ heid terug. Maar nu komt - als wij de laatste, nog slechts
fragmentarisch overgeleverde passage goed begrijpen ­- de
god zelf aan de beurt. Een kuil wordt gegraven en een
i witte stier, het zinnebeeld van den god Marduk, zooals
ook uit het begeleidende gebed blijkt, wordt daarvoor
’ geplaatst. Marduk zelf zal in het graf moeten neerdalen.
Met deze zinnebeeldige afzetting van den koning was een
dieptepunt van de plechtigheid bereikt. Het is de vraag,
1 of de koning hier alleen optreedt als vertegenwoordiger
2) H. ZIMMERN, Zzmz ba/{1*/zvzziychczz .Y6’Z{/?Iá7'.§/?.`/ (BSGVV, 70,5, 1918). p. 40.