HomeNieuwjaarsfeest en koningsdag in Babylon en in IsraëlPagina 13

JPEG (Deze pagina), 780.24 KB

TIFF (Deze pagina), 7.59 MB

PDF (Volledig document), 29.92 MB

11
ter aarde verbrijzeld!"1) Maar Sanherib werd door zijn
eigen zonen vermoord en Babel herrees in haar oude glorie,
de erfgename straks van het in 612 verwoeste Ninevé.
Dat Nebukadnezar zijn koningsstad Babylon herbouwd heeft
,,door de sterkte zijner macht en ter eere zijner heerlijk-
heid", is zelfs nog aan den schrijver van het boek Daniël
bekend en wordt bevestigd door opschriften en opgravin-
gen 2). Cyrus liet in 539 de stad ongedeerd, hij beves-
. tigde de priesterschap van Marduk in haar voorrechten en
zond zün zoon Kambyses om de processie der goden bij
het nieuwjaarsfeest te leiden, die gedurende de regeering
van Nabonedos en Belsazar drie keer had moeten worden
gestaakt. En nog Alexander droomde van Babylon als het
middelpunt der door hem veroverde wereld en van her-
bouw van den door Xerxes verwoesten tempeltoren Eteme-
nanki. Antiochus Soter wilde in 270 dit werk hervatten,
maar eveneens zonder succes.
Niet altijd heeft Babylon met zijn grooten tempel Esa­­
gila deze beteekenis als het geestelijk middelpunt der toen­
maals beschaafde wereld bezeten. Gaan wij verder terug
in den tijd, dan zien wij, dat deze stad al hetgeen zij in
· den loop der eeuwen geworden is, te danken had aan
T Hammurabi en aan de koningen uit zijn dynastie. Vóór
diens tijd was Babylon provinciestad en Marduk, de god
van de jonge zon ~ het ,,zonnekind" zooals hij bij ge-
` legenheid genoemd wordl:3) ­- was een der kleinere goden,
? zonder beteekenis. De groote goden van Babylonië waren
Anu van Erech, Enlil van Nippur en Ea van Eridu. De
wet van Hammurabi begint met de vermelding, dat Anu
1) Daar Babylon in 539 niet verwoest werd, is het (ondanks de eigenaardige
vermelding van Elam in vs. 2) 0.i. het waarschijnlijkst, dat jes. 21 :9 0or·
spronkelijk betrekking had op de verwoesting van Babylon in 689 v. Chr.
2) Dan. 4 :30; vgl. R. KOLDEWEY, Day wz'¢·zz’are7‘sfehc2zzz’c Baád (4. Aufl. 1925),
g p. 304.
ë 3) H. ZIMMERN, ZA. 33, 239.
·