HomeEnkele gedichtenPagina 31

JPEG (Deze pagina), 539.11 KB

TIFF (Deze pagina), 5.83 MB

PDF (Volledig document), 15.33 MB

Dit zijn mijn zangen: hoor de menschen weenen; XXIV.
En dit zijn bloemen die Gij zelve schondt; _.
Milde gebaren die tot vuist versteenen;
De hand keerde in zich zelf als ze U niet vond.
Ze gaan van wellust en ellende henen ·
De zielen die Gij offerde aan den grond. "
Toch is Uw naam in vloeken die zij stenen:
Zie onze wereld aan als Uwe wond. ‘
l En deze deern zij 't offer U gebracht.
Ik minde die Uw doemnis benedijde:
Met vrome aandacht kuste ik haar zacht j
Als de reliek eener den lust gewijde. .
Wie zijn wij, God, in Uw gevloekten nacht
Dat Gij een vrouw met kussen laat kastijden? g
27 is
°i bi ïëgëï M, l
Komïlgstrauï gl
- l: .3 l` r4·,­__ . ., · ,» _ iv; I vv ."` . I. ` ­·. V .... __ _ `V A` ` A n Y N l N I N { v` rv J, V